• Agenda:

    Datum: 22 mei 2022
    Tijd: 9.30 uur
    Kerk: Irenekerk te Bierum
    Voorganger: Ds. G. Knol
    De dienst is online te volgen
    via deze link

  • Paastijd

    Ja, na Pasen is het tot aan Pinksteren Paastijd.

    Pasen hebben wij gevierd op Paasmorgen, 17 april, en Pinksteren valt dit jaar op 5 juni. Maar liefst zeven zondagen staan in het teken van Pasen, in het teken van de opstanding.

    De kerkelijke kalender helpt ons om ons elk jaar in te wijden in het mysterie van de opstanding.

    Dat is wel nodig ook, want opstanding komt ons niet aanwaaien.

    Ja, of, vanuit Pinksteren gezien, juist wel!

    Nee, Pasen komt ons niet aanwaaien.

    De natuur kent na de winter, het seizoen van het sterven, de lente, het seizoen van het nieuwe leven dat zich alom aandient. Pasen is een lentefeest, maar daarmee is het wezen van Pasen niet gegeven.

    Opstanding uit de dood blijft altijd haaks staan op onze menselijke ervaringen.

    De olievlek spreidt zich breed uit over het water, maar de oliedruppel die haar veroorzaakt is een kernachtige: de Heer is waarlijk opgestaan.

    Dat is het geloof dat wij geloven.

    Zo leert de kerk het ons en haar traditie is nu zo’n tweeduizend jaar oud.

    Er is de eeuwen door geen verandering in gekomen. Dat wil wel wat zeggen.

    Ja, en je moet erbij zeggen: er is de eeuwen door ook aan getwijfeld!

    Het is niet zo dat die twijfel modern is, van de laatste tijd. Bijvoorbeeld omdat het geloof afneemt. Nee, vanaf het allereerste begin was er twijfel.

    Paulus gaat erop in (zie contactblad nr. 4). De vertellingen van de vier evangeliën lopen onderling nogal uiteen en daarbij zijn ook nogal eens twijfels gerezen. Johannes 11 dramatiseert de opwekking van Lazarus zo uitgebreid dat het wel duidelijk is dat hij alle twijfel wil wegnemen. Het gekke is dat je, wanneer je alle twijfel wil wegnemen, juist ook weer twijfel oproept.

    Mensen vragen mij wel eens: als je nu aan de andere kant komt, herken je dan de mensen die eerder overleden zijn?

    Het lijkt een heel andere vraag dan de vraag naar de opstanding. Mensen, ook gelovigen, twijfelen of er wel iets is en of je, op een bepaalde manier, jezelf blijft, herkenbaar voor anderen en anderen voor jou. De dood, zo lijkt het, wist alles uit. Onze voorstellingen lijden schipbreuk op de dood.

    Daarom is het ook zo moeilijk om echt te geloven in de opstanding.

    De kerk biedt het ons aan als kernbestanddeel van geloof: het dat van de opstanding.

    Maar ons innerlijk kan er niet bij. Het is nauwelijks een geloof waarmee wij geloven, leven.

    De meeste mensen zeggen dan ook aan het slot van hun overwegingen: nou ja, ik zie het ook wel als het zover is.

    Je kunt dan wel blijven hameren op het dat van het geloof in de opstanding, maar het brengt je geen spat dichter bij de kracht van het geloof in de opstanding.

    Het is ook de sfeer waarin de beelden, zoals het zaad dat moet sterven om vrucht voort te brengen of de gedaanteverandering van de rups in de vlinder, ons niet echt helpen.

    De kernvraag van de opstanding is: is Jezus echt bij God en is mijn geliefde … echt bij God, herken ik en wordt ik herkend? Is het echt? De vraag sluit aan bij Jezus’ opstanding op Paasmorgen uit het graf en zijn hemelvaart, “vanwaar hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.” De wederkomst dus. De wederkomst lijkt weer op eenzelfde soort incarnatie (vleeswording) zoals met Kerst en op een opstanding zoals met Pasen. Hij zit nu “ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders”.

    De manieren waarop de evangeliën spreken van de opgestane die wordt herkend als Jezus Christus, wijzen op een ander soort lichaam dan het vleselijke. Hij wordt gezien als een verschijning die kan binnenkomen door gesloten deuren. Daarmee sluiten deze verschijningen ook aan bij ervaringen die mensen kunnen hebben, wanneer iemand die is overleden, zich aan hen kenbaar maakt, bijvoorbeeld om te zeggen dat zij zich geen zorgen hoeven te maken en dat alles (hier) goed is. Dat komt meer voor dan je zou denken!

    In het leven dat God geeft zijn onze sterfelijke levens geborgen. Dat is een deel van het geloof in de opstanding. Jezus en ook wij zijn niet prijsgegeven aan de dood.

    Een ander kernachtig deel van de opstanding raakt ons huidige leven: het afleggen van het ‘oude leven’. Lied 353:

    Nu heeft het oude leven afgedaan!

    Wij mogen aan de toekomst toebehoren,

    want grote dingen heeft de Heer gedaan:

    wij zijn als kinderen van God herboren.

    Een fantastisch lied. Het sluit aan bij Romeinen 6,3-4:

    Weet u niet dat wij

    die gedoopt zijn in Christus Jezus,

    in zijn dood gedoopt zijn?

    We zijn met Hem begraven

    door de doop in zijn dood

    om, zoals Christus is opgewekt uit de doden

    door de heerlijkheid van de Vader,

    zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.

    De doop geeft deel aan de dood en opstanding van Christus. Zoals Christus – zo ook wij: met Hem. Immanuel. Christus: opgewekt uit de doden – wij: een nieuw leven leiden, waarin de zonde geen vat meer op ons heeft (vers 6). De ketting loopt zo: doop = dood en opwekking = het leiden van een nieuw leven. De deurkruk die de deur opent is: de heerlijkheid van de Vader die Christus opwekt.

    Dat woord heerlijkheid dat Paulus hier gebruikt is exact hetzelfde woord dat ook in Lukas 2,14 wordt gebruikt (een tekst die ons herinnert aan Kerst). Het is ook wel vertaald met macht en majesteit, maar het mooie van heerlijkheid is de grote uitstraling. Men constateert geen macht of onomstotelijk feit, maar men ervaart iets dat kracht geeft.

    Opstanding bestaat dus uit twee helften: (a) een mysterie dat verwijst naar een bestaan voorbij de dood en (b) dat op sacramentele wijze kracht geeft om een nieuw leven te leiden. Het is niet voor niets dat die nieuwe leefwijze ook een nieuw soort samenleving in het leven roept: het Lichaam van Christus (bijvoorbeeld 1 Korintiërs 12).

    Nog een laatste verwijzing tot besluit:

    Nu zien we nog maar een afspiegeling, een raadselachtig beeld,

    maar straks staan we oog in oog.

    Nu is mijn kennen nog beperkt,

    maar straks zal ik volledig kennen,

    zoals ik zelf gekend ben.

    (1 Korintiërs 13,12)

    In Christus is de heerlijkheid van God geopenbaard (2 Korintiërs 3) als een heerlijkheid die die van de Wet overklast. Christus brengt de Geest, de vrijheid. Christus verwijdert de floers die over alles heen ligt. Paulus erkent dus dat dit allemaal nog niet is zoals het kan zijn, zoals het zal zijn. We weten nog niet hoe wij zullen zijn (1 Johannes 3,2). De tekst uit de brief van Johannes koppelt dit uiteindelijke aan de wederkomst, maar buiten kijf staat dat ‘wij nu al kinderen van God zijn’. En dit ‘kinderen van God zijn’ is weer onlosmakelijk verbonden met ‘niet zondigen’ = een nieuw leven leiden = delen in de heerlijkheid van de opstanding.

    Ds. Gerard Knol

    Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als eerste van de gestorvenen

    Ik citeer Paulus uit 1 Korintiërs 15,20. Paulus steekt in bij de vraag naar de opstanding, omdat er mensen zijn die zeggen dat de doden niet zullen opstaan. ALS dat zo zou zijn, zou ook Christus niet zijn opgestaan en DAN zou de verkondiging van Paulus en de andere apostelen een leugen zijn.

    Zoals door Adam, één mens, de dood in het leven is gekomen, zo is ook de opstanding uit de dood gekomen door één mens. “Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt.” (vers 22) Daarin zit dus een soort symmetrie: in Adam de neergang, in Christus de opgang.

    Ik sla het stukje over Christus als heerser, als koning en zijn onderwerping aan God over. Paulus stelt dat de laatste macht die overwonnen wordt de dood is (vers 26).

    Ik ga verder met de vraag: hoe worden de doden opgewekt?

    Paulus gebruikt dan het beeld van het zaadje dat moet sterven. Het heeft, zoals het is en leeft, nog niet de vorm die het krijgt. Pas wanneer het sterft, komt het tot groei en bloei. Een ander beeld dat voor de opstanding wordt gebruikt is dat van de vlinder die immers een rups was. De rups verpopt zich en de vlinder komt eruit. Paulus geeft aan dat er sprake is van een metamorfose, een gedaanteverandering.

    Maar het gehalte is toch anders: Paulus spreekt over de verschillende aardse lichamen en ook de hemellichamen hebben een onderling verschillende schittering. “Zo zal het ook zijn wanneer de doden opstaan. Wat in vergankelijke vorm wordt gezaaid, wordt in onvergankelijke vorm opgewekt, wat onaanzienlijk en zwak is wanneer het wordt gezaaid, wordt met schittering en kracht opgewekt. Er wordt een aards lichaam gezaaid, maar een geestelijk lichaam opgewekt.” (vers 42-44)

    Het beeld dat Paulus gebruikt helpt ons om erbij te kunnen: het zaadje, de aardse lichamen met hun verschillende vormen en krachten – het is allemaal sterfelijk en in die zin ‘zwak’. Het zaadje moet sterven om juist het ‘andere’ voort te brengen. Christus is dus zo’n zaad. De sterfelijke mens uit wie een onsterfelijke mens voortkomt. Hij wordt als een aards lichaam gezaaid en als een geestelijk lichaam geoogst.

    Daarmee geeft Paulus ook aan dat je er niet zomaar over kunt praten: vertel eens, hoe zit dat nu precies. Aardse manieren van denken en spreken kunnen het niet bevatten. “… wat uit vlees en bloed bestaat krijgt geen deel aan de onvergankelijkheid.” (vers 50b)

    Paulus geloofde dat de mensen van zijn tijd niet allemaal eerst zouden sterven (voor de wederkomst): “… toch zullen wij allemaal veranderd worden.” (vers 51b) Daarmee maakt hij duidelijk dat opstanding uit de dood een metamorfose of transformatie is: een wezenlijke gedaanteverandering. Niet alleen van de doden naar opnieuw levenden, maar ook van de levenden naar de eeuwig levenden.

    Opstanding uit de dood wordt dus geen recht gedaan, als zij alleen maar wordt gezien als een ‘opnieuw tot leven komen’. Dat is, zou je kunnen zeggen, een aardse gedachte. De geestelijke gedachte is dat ons menszijn een nieuw, een goddelijk gehalte krijgt. Zoals het oorspronkelijke ‘geschapen naar Gods beeld en gelijkenis’ aangaf. Een nieuw menselijk gehalte.

    Elders, waar het gaat over de Geest, is de suggestie dat zij ons al aandeel geeft in dit nieuwe menszijn (bijv. Efeziërs 1,13 en 14, 2 Korintiërs 5, 4 en 5). En ook de doop die ons deel geeft aan Christus, dat wil zeggen ons doet delen in zijn sterven en opstanding, leidt tot een nieuw leven (Romeinen 6,3-6). Dat nieuwe leven vindt zijn uitdrukking in een kwalitatief andere leefwijze.

    Wij leren uit de benadering van Paulus dat de opstanding een mystiek gegeven is. Het is niet iets dat je met aardse benaderingen kunt ontsluiten. Het geloof en de kracht van de Geest maken het al werkelijk, zij het op een voorlopige wijze. De definitieve gedaanteverandering moet nog plaatsvinden. Paulus en zijn geloofsgenoten verwachtten dat al heel snel. Het zat voor hen ‘in de lucht’. Wij weten dat het anders gaat dan zij destijds dachten.

    De cyclus van nieuw leven door geboorte en sterven als gevolg van ouderdom is nog steeds waarmee wij te maken hebben. Nieuw leven in de zin van Paulus, op een goddelijk-geestelijke manier, heeft niets van een cyclus. En we realiseren ons weer eens dat, tegen de achtergrond van een nieuwe oorlog op Europees grondgebied en alle andere zaken waarmee wij worstelen zoals het milieu, de mens niets van zijn ‘zwakheid’ heeft afgelegd. Die gedaanteverandering door de Geest van God is meer nodig dan ooit.

    Ds. Gerard Knol

    Op weg naar Pasen

    Kijk eens om je heen, kijk eens om je heen, geef elkaar een hand, je bent niet alleen.

    (Hanna Lam, Samen spelen)

    Een eenvoudig kinderversje. Ik kan me nog herinneren dat we, voordat we de school in mochten, ons moesten opstellen in rijen en dat we de hand van het kind naast ons moesten vasthouden.
    Ongetwijfeld met de opzet om het binnengaan van de school ordelijk en gedisciplineerd te laten verlopen – dat was in die tijden meestal het doel! – maar ik denk ook: we hadden even contact. Je stemt op elkaar af. Hallo. Ja, ik weet dat je er bent.

    Voor kinderen is het maken van contact vanzelfsprekend. Het zit in alles. Het zit in het lichaam dat zich nog niet braaf gedraagt, maar alle kanten opvliegt, beweegt, huppelt. Het zit in de kinderlijke geest die in alles speelt, uitnodigt, uitdaagt – als het goed is: open staat.

    Voor volwassenen gaat dat niet meer op.
    Maar … als volwassenen kinderen zien spelen, laat hen dat meestal niet onberoerd.
    We denken of we zeggen dan: ook wij waren eens jong …
    Het doet ons goed. Er valt iets van ons af.
    We zíen voor ons hoe het is om jong te zijn.
    En dat resoneert in ons.

    Wie deze dagen de lucht opsnuift zal soms ook iets van de komende lente binnenkrijgen.
    Ook dat resoneert in ons. De lente is een hoopvol jaargetijde, vol van opengaan, van belofte.
    Het is zo goed om dat op te snuiven, in te drinken, tot je te laten doordringen.
    Het is ons lichaam, onze natuur en daarmee ook onze geest.

    Gek hè, lente is een soort advent. Jong zijn is de verwachting van een vol leven. De kerk plaatst advent aan het begin van de winter! En uitgerekend in de lente is het de veertig dagen, de tijd van beproeving – denk aan de woestijntijd van het volk Israël van 40 jaren en aan de woestijntijd van Jezus van 40 dagen. Zij waren in quarantaine (letterlijk: een periode van 40 = in het Frans quarante).

    Nee, laat die handen niet los! Verkramp niet! Denk niet: daar gaan we weer. Denk niet: oh, nu worden we serieus. We hebben dat lichaam dat wil leven, dat vrij wil zijn, uitbundig wil zijn, uitgelaten, zonder reserve, zonder terughoudendheid, vol levensvreugde, hard nodig!

    De kerk, de gemeenschap, het lichaam van Christus, wil ons leren om volhardend te zijn: blijf erin geloven, blijf open, blijf resoneren. Schud het dode, het verkrampte leven van je af!

    Het is juist het lot van de natuur dat het leven uiteindelijk doodloopt, dat krachten gaandeweg afnemen, dat het een kwestie van opgaan, blinken en verzinken is.

    En het is de mentaliteit van de natuur dat we elkaar in de weg zitten, naar het leven staan zelfs.

    Dood en opstanding betekenen in dit bestaan: schud het van je af! Letterlijk! Schudden maar met dat lijf. En maak geluid. Wees niet stil en onderworpen.

    In Christus kunnen we die ‘kinderlijke naïviteit’ behouden en paren aan duurzame vredelievendheid (tegen de oorlog), rechtvaardigheid (tegen de ongelijkheid), openheid naar de ander (tegen de angst voor de ander) enzovoort.

    Zolang we leven hoeven we het niet op te geven. Dat is Christus in dit bestaan. Zalig jij! Het moest van ver komen – zeker! Ons hele bestaan is erin opgenomen en tot uitdrukking gekomen. Tot en met de dood zelf, die vanuit de natuur gezien een onneembare veste is.

    Nergens anders spreekt de overwinning op de dood IN DIT BESTAAN uit dan uit de manier van leven die wij erop nahouden. Begrijp dat goed. Onze houding, onze mentaliteit, onze instelling, onze daden, onze woorden. Nergens anders. Resoneert daarin het ‘eeuwige leven’ (het leven van God) als een ‘eeuwige levenslust’ (een heilige Geest)?

    Maak het niet te zwaar. Denk aan de lente. Aan de kinderen. Over resoneren gesproken: laat het klinken als muziek! Hoe meer je de muziek in de muziek hóórt, hoe beter je gaat spelen, gaat zingen. Zo werkt het. Je kunt alles op alles zetten, oefenen, oefenen, oefenen, maar de vervulling voert je boven jezelf uit. Dat is verlossing.

    Een goede weg naar Pasen gewenst!

    Gerard Knol

     

    Een warme dag

    Het was een warme dag. We waren moe en hadden al de hele dag gelopen. Op onze tocht langs de Tarn, een rivier in Frankrijk, kwamen we in een klein dorp. Op een bankje onder een boom zaten drie oude vrouwen. Toen ik vroeg of we naast hen mocht komen zitten, lichten hun ogen op. Vreemdelingen in hun dorp, een gebeurtenis. Natuurlijk mochten we komen zitten. Graag zelfs. Konden ze even met iemand anders praten. Dat vonden ze fijn. Zoveel viel er immers niet meer te praten. Als het weer goed was zaten ze hier op het bankje met hun drieën. Hielden ze elkaar gezelschap. De jeugd was weggetrokken uit hun dorp. De stad bood meer. Bewoners die nog niet te oud waren, werkten overdag en waren ’s avonds moe. Wie heb je dan nog om te praten? Als alle activiteiten in een gemeenschap stilvallen, de jongeren wegtrekken en op het dorpsplein alleen nog oude mensen plaatsnemen, wat rest een mens dan nog?

    Prediker 12 dacht ik: Gedenk daarom je schepper in de dagen van je jeugd – voordat de slechte dagen komen en de jaren naderen waarvan je zegt: In deze jaren vind ik weinig vreugde meer.

    Slechte dagen. Dichte winkels. Huizen met gesloten luiken, geen jeugdige stemmen en een brandende zon boven een plein met drie oude vrouwen op een bankje. Een dorp zonder ziel lijkt het. Als je het zo ziet, klinkt het zelfs triest.

    Zo kun je ook kijken naar de kerk, naar het geloof. Je hoort het van meerdere kanten. Het is over met de kerk. Het feest is voorbij en het wordt nooit meer wat en zeker niet meer zoals het vroeger was. Kijk maar rond. Overal gesloten kerken. Kerken worden verkocht of afgebroken. Liepen er vroeger op zondagmorgen tal van kerkgangers over de Borgsingel in Bierum, nu zie je op zondagochtend alleen nog een paar mensen die hun hond uitlaten. Kerkgang behoort tot een uitzondering. De kerk heeft zijn tijd gehad, zegt men. Alles is onzeker geworden. Aan alles wordt getwijfeld. En het geloof? Ach, geloof is alleen nog iets voor oude mensen. Toch?

    Ik denk dat niet. Ik denk anders. Ik luisterde naar een jong meisje, 8 jaar oud. Ze mocht die middag uit de bijbel lezen. Dat was niet wat zij gewoon was, maar vandaag mocht zij lezen. Voor haar was het spannend, een avontuur. Ze las Psalm 23. Soms stotterde ze een beetje, maar het was duidelijk te verstaan wat ze las. 
    Ze las:
    De Heer is mijn herder, mij ontbreekt niets.
    (…)
    zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis,
    ik vrees geen kwaad,
    Want U bent bij mij;
    (….)
    tot in lengte van dagen.

    Kun je kort samenvatten wat je hebt gelezen, werd haar gevraagd.
    Ze keek op en antwoordde:
    ” Ja, dat de Heer altijd met je meegaat.”

    Amen, dacht ik.  Als je je dat realiseert, ben je met God op reis, een leven lang. Zelfs al zit je op een warme dag op een plein met drie oude vrouwen op een bankje in een dorp waar de ziel uit lijkt verdwenen. Dan is het leven niet voorbij en de ziel niet verdwenen. Dan wordt het leven een avontuur en beleef je de ontmoeting met de vreemdelingen of met drie oude vrouwen op een bankje als een gift van God. Zeker als je hoort dat de kerk in het dorp nog altijd open is. Een plek waar Gods woord voor deze wereld nog steeds klinkt. Drie oude vrouwen op een bankje vertelden ons daaruit troost te putten, zelfs al wisten ze stof te zijn en tot dat stof te zullen moeten terugkeren. Maar zelfs dan, in dat uur, zal de Heer nog meegaan. Ze wisten het zeker, die drie oude vrouwen op een bankje onder een boom.
    Het werd een warme dag.

     Piet Kort

    Een voorspoedig nieuwjaar!

    Ik hef het glas op jouw gezondheid, want …

    jij bent niet alleen!

    Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen.

    Ik begin met een fragment van het liedje van The Scene (Thé Lau) uit het jaar 1990. Uit een heel andere tijd dan deze. In allerlei opzichten.

    Misschien voel je je juist wel alleen. Omdat we weer zitten zoals een jaar geleden. Alsof er niets is bereikt, gewonnen, alles verloren.

    De muziek van Thé Lau heeft me altijd aangesproken. Er zit een verhaal in zijn teksten. Ze zijn vaak donker, meestal niet onmiddellijk duidelijk. Maar er zit veel kracht en eerlijkheid in.

    Wat is troost zonder eerlijkheid? We denken vaak dat troost iets wil wegpoetsen. Aaaach, het valt allemaal wel mee. Gelukkig nieuwjaar! We nemen er nog een. Het allemaal op den duur toch wel beter worden. Zo kan het niet blijven. Enzovoort, en zo verder, etcetera, etcetera …

    Michael Ignatieff schreef onlangs het boek Troost – Als licht in donkere tijden.

    Hij verkent allerlei bronnen van troost, ook twee, drie uit de Bijbel.

    Wat het ons kan leren op dit moment is: als je troost wilt vinden, zul je er toch iets voor moeten doen. Die vaccinatie troost ons dus niet (volledig). De gedachte dat het virus weggaat ook niet. Dat het vanzelf wel een goed jaar zal worden, is vermoedelijk de grootste leugen die wij elkaar kunnen toewensen.

    Christus is opnieuw geboren, zo hebben wij gevierd. Wat betekent dat in het duister van deze tijden? Dat God ons wel eventjes uit de sores zal trekken? Dat Christus geboren was, vormde voor mensen, zoals de oude Simeon en Anna, een grote hoop. God had, na al die eeuwen, donkere tijden, naar zijn volk omgezien. God heeft zich opgesteld als een bisschop, een goede herder. (In het Grieks is episkopos hij die omziet, toezicht houdt.) Het tweede is: en de schapen luisteren naar zijn stem. Paulus wijst op de volharding die nodig is om het lijden te doorstaan.

    Ik wens ons daarom in dit nieuwe kalenderjaar: virtus. Dat komt uit het Latijn, afgeleid van vir = man en het wordt vertaald met deugdzaamheid. Ik vind het woord vooral kracht uitstralen. De Geest van God, de Geest van Christus geeft ons kracht om te blijven staan in de storm. Wees niet bang. Raak niet vertwijfeld. Blijf wakker en kijk naar elkaar om!

    Een krachtig nieuwjaar!

    Ds. Gerard Knol

    In het licht van Advent

    Ik had Patti Smith (1946) nog nooit gezien.

    Zij heeft in 1977 een album gemaakt, Horses, dat breed wordt gezien als vernieuwend. Haar meest bekende lied is “Because the night” (belongs to lovers).

    En dan staat ze daar, bijna 75 jaar oud, op het podium van het Nationale Opera en Ballet van Amsterdam, te midden van andere mannen en vrouwen die dichter bij het papieren en gesproken woord staan dan bij het gezongen woord.

    Iemand die tegelijk oud en jong is.

    Zij heeft haar jeugd al lang achter zich, gedaan wat dom is en gegroeid in wat wijzer is. Iemand die langer terug kan kijken dan vooruit. Dat verandert een mens ontegenzeggelijk. Maar ze zingt nog steeds en wij luisteren naar haar.

    Al is veel twijfel gemixt in wat we toen vurig geloofden – de jaren zeventig van de vorige eeuw.

    De vraag is: hoe moet het nu verder? Hoe kan het nu verder? Met goed fatsoen.

    That was my brother! Dat was mijn broer

    Haar broer was net overleden. In een jaar waarin veel mensen om haar heen stierven.

    Ze was er zwaar en triest van. En toen stierf ook nog, wat ik begreep, haar lievelingsbroer.

    Iemand die zij beschreef als een warm en liefdevol persoon. Heel anders dan zij zelf.

    Ze was ontroostbaar. Alsof alles beroofd is van kleur en zin.

    Toen was er ineens de ervaring van een allesomvattend licht en een alles doordringende liefde.

    Dat was mijn broer!

    Advent

    God stuurt weinig tekst in het leven van mensen.

    Je hebt de Bijbel en je kunt er veel over zeggen – en dat doen we dan ook – maar een basiskenmerk van het leven is dat je het zelf mag uitzoeken, móet uitzoeken zelfs.

    Als ik kijk naar de gezichten van mensen zie ik veel sprakeloosheid en gedachteloosheid.

    Vroeger was ik daar boos over. Ik zag er een gebrek aan kracht in, gemakzucht ook, zelfs een geveinsde domheid.

    Nu zie ik zelf steeds meer dat het bestaan zo groot en krachtig is dat we er niet tegenop kunnen.

    Je meent, als je jong bent, dat je heel wat kunt wegzetten, móet wegzetten en de rest is gezeur.

    Vroeger of later word je ingehaald door ervaringen waarvan je niet terug hebt.

    In zekere zin is het waar dat je leven pas begint, als je geconfronteerd wordt met de dood.

    Het is een nieuw begin. Een nieuw begin is er niet zomaar! Daarvoor moet al het oude eerst aan de kant. En de vernietiging van het oude, als daad op zichzelf, is daarvoor niet genoeg. In tegendeel zelfs.

    Wat Patti Smith ervoer als haar gestorven broer, is, zoals ik het zie, God.

    Tijdens de gedachtenisdienst van 21 november verwoordde ik het als ‘de ziel die terugkeert in het licht van God om daar bij God te zijn’.

    Onze wereld kraakt in haar voegen. Ik denk dat veel mensen zich zorgen maken: hoe komt dit? Op dit moment (maandag 22 november) is het eergisteren dat Rotterdam in de ban was van uitbarstingen van geweld, uitingen van een destructief ongenoegen, die ons erop wijzen dat er onder het uiterlijk kalme oppervlak van onze alledaagse werkelijkheid iets heel anders schuilgaat. Iets dat ons uit de slaap houdt.

    Komt dit goed?

    Nee, het komt niet goed. Deze dingen gaan niet vanzelf over.

    Er zal iets tegengesproken moeten worden: niet alleen de uitingen van geweld zelf, maar ook de woede opwekkende ervaringen van een werkelijkheid die onrechtvaardig en zinloos is, die eraan ten grondslag liggen.

    Patti Smith herinnert zich haar broer.

    Zijn ziel omstraalde haar in een moment en genas haar van de trieste troosteloosheid van een bestaan bezocht door dood, verlatenheid en gemis.

    De ziel is de band met God, maar zij is geen aanwijsbaar orgaan. Ze kan niet worden geopereerd of getransplanteerd. Zij kan spreken, met een innerlijke stem die fluistert, en haar kan het zwijgen worden opgelegd. Dat laatste is doorgaans het geval.

    Wat ik zie aan mensen is een gebrek aan ziel. En daarom ook aan bezieling.

    Wanneer met Kerst wordt gevierd dat Christus als zuigeling wordt geboren, vieren wij de ziel die in de wereld komt van Godswege om de wereld te genezen. Hij is onze broer!

    En hij kan er met Goede Vrijdag zo weer uitgeschopt worden.

    Zo is het dus.

    Het leven van een ouder wordende rockgodin die nog steeds zingt en die ons vertelt van haar broer.

    Het zegt niets op wereldschaal. Het zegt alles, want dit ene moment van verlossing heeft de kracht om al die andere onverloste momenten te genezen.

    Het einde is niet: en zij leefden nog lang en gelukkig.

    Het einde is een nieuw begin: en zij wisten weer hoe zij verder wilden gaan 

    Gerard Knol

     

    Ik sla mijn ogen op en zie de hoge bergen aan

    Psalm 121. Een pelgrimslied.

    Ach, waar begin je aan? Zou je niet liever thuisblijven?

    Een oud liedje: “Och, was ik maar bij moeder thuis geble-he-ven. Och, was ik maar met jou niet meegegaan.” Aldus Johnny Hoes, natuurlijk met veel ironie, want iemand heeft zijn hart (of zijn het de hormonen?) gevolgd en ondervindt daarvan nu de ‘pijn’.

    Thuisblijven is het meest veilige, toch?

    Ook Søren Kierkegaard (1813-1855) duidt dit besef met een prachtige fabel: de brave ganzen die ’s zondags naar de kerk gaan om te horen over de hoge roeping van de gans, nl. de roeping om te vliegen. Tegelijkertijd waarschuwt men voor de ganzen die dit ook werkelijk doen: die zijn schraal en mager. Het is dus beter je te vermeien in het mooie verhaal dan om het ook werkelijk in praktijk te brengen. Kierkegaard neemt hier het Deense burgerlijke geloof op de hak. (Ik heb er al eens eerder naar verwezen.) De ganzen worden dik en belanden met Kerst in de pan.

    Thuisblijven – het meest veilige.

    Geen (onverantwoorde) risico’s nemen.

    Vanmorgen gepreekt over Johannes 8: 12-20 (d.d. 10 oktober 2021). Geloof gebruiken om het veilig te houden of om dapper en moedig te zijn. Jezus kiest er niet voor om zich braaf bij de Thora te houden. Ik heb de vrijheid benadrukt, zoals Paulus dit doet (2 Korintiërs 3,17): “Waar de Geest van de Heer is, is vrijheid.” Voel je vrij om het leven in te gaan en open te staan voor wat en wie je tegenkomt.

    Wie veilig thuisblijft, richt zijn of haar licht naar binnen. Of: plaatst het licht onder de korenmaat. We zijn allemaal burgers geworden – wij hechten aan ons eigen en aan onze veiligheid. Door deze leefwijze zijn we ook elkaar kwijtgeraakt – wij ondernemen weinig meer met elkaar, staan er dus ook vaak alleen voor. Een eenzaam individu is ook een angstig individu, zien wij vandaag zo vaak om ons heen. Wie erg alleen leeft, verliest ook het zicht op de werkelijkheid. Het is geen gezonde wijze van leven door de eenzijdigheid en de geslotenheid ervan. Mensen die op zichzelf leven, oefenen ook weinig (sociale) krachten en vermogens in de dubbele zin: 1. hoe doe je dingen echt samen? 2. hoe stel je je open voor de ander?

    Jezus neemt grote risico’s en stelt zich op tegen de zekere, veilige orde. Hij verkeert met tollenaars en zondaars. Hij maakt het zich niet gemakkelijk en hij maakt zich er niet van af. Ik heb gezegd: wij zijn volgelingen van een rebel (zoiets). Hij schendt de sabbat omwille van iemands redding. Jezus kleurt niet binnen de lijntjes.

    Ik kan dit allemaal wel zo zeggen, maar dat betekent nog niet dat we snappen hoe wíj dit kunnen leven. Het begint met de uitspraak: Ik ben het licht voor de wereld. Dat betekent weer minstens twee dingen: 1. niet een of andere wet, regel of gewoonte is het licht, 2. het is een mens van vlees en bloed die het zegt en die de relatie met óns legt.

    Een mens? Jezus = een mens? Ja. Is hij niet méér dan dat? Deze vraag duwt mij in een valkuil. Als ik ‘nee’ zeg, haal ik Jezus naar beneden (en daar hebben gelovigen een hekel aan – Jezus was te bijzonder, te goddelijk). Als ik ‘ja’ zeg, plaats ik hem weer terug op eenzame hoogte (en blijven wij wie wij nu eenmaal zijn).

     

    Wat maakte Jezus goddelijk? Wat tilt mensen boven zichzelf uit? De Geest van God. Die immers vrijheid geeft! Wij kunnen niet zonder het licht van God. Dus ook andersom: het licht van God voert ons buiten onze comfortzone.

    Is er niet veel te doen in onze wereld? Mens, ik zie er tegenop als tegen een berg! Dus blijf ik liever thuis. Ik kom er niet uit, dus doe ik liever niks. Ik weet het niet, dus hou ik liever mijn mond. Enzovoort. Ja, natuurlijk, ik begrijp het, wij begrijpen het wel. Het lastige is dit: leven moet je zelf doen, iemand anders kan het niet voor jou doen. Wat je besluit, geldt.

    Waar komt mijn hulp vandaan?

    Mijn hulp is van mijn Here,

    die dit alles heeft geschapen.

    Mijn herder zal niet slapen.

    Je staat er niet alleen voor, dus pak je vrijheid.

    Niet om vervolgens uitbundig ‘naar het vlees’ te gaan leven. In het Johannesevangelie zegt Jezus tegen de farizeeën: jullie oordelen met menselijke maatstaven (8,15; letterlijk: naar het vlees). Paulus waarschuwt ook voor een vrijheid ‘naar het vlees’. Wij hebben dat dan vooral weer opgevat in seksuele en in andere zin van geneugten. Niet bijvoorbeeld als kritiek op maatschappelijke regels, wetten en gewoonten, politiek of economie. Daarom zijn wij van muggen olifanten gaan maken en andersom niet minder: van olifanten muggen. We hebben de seksualiteit verdacht gemaakt en de vragen van gerechtigheid terzijde gelegd. Ok, toegegeven, niet alleen maar, maar de balans is sterk doorgeslagen naar de persoonlijke ethiek.

    Mijn hulp is van de Here, die dit alles heeft geschapen.

    (Psalm Project, psalm 121; YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=KixIdKwMlwI)

    Rabbijn Awraham Soetendorp: “God gaat met mensen die op weg gaan.”

    Gerard Knol

    Here houdt ook deze nacht …

    Voor het slapengaan zegde ik altijd dat gebedje op: Ik ga slapen, ik ben moe, sluit mijn beide oogjes toe. Here, houdt ook deze nacht over mij getrouw de wacht. A—-men.

    Ik laat wat coupletjes weg (o.a. Het boze dat ik heb gedaan …).

    Het wacht houden in de nacht, zodat je rustig kunt slapen (bijvoorbeeld Lied 239 of 247).

    Het is ook het devies van de politie: vigilat ut quiescant = hij waakt opdat zij rusten.

    Het is een oud gegeven.

    Jezus roept zijn leerlingen geregeld op om waakzaam te zijn (bijvoorbeeld in Marcus 13; zie ook Lied 205).

    Dus, hij roept hen op om juist niet te slapen, maar om oplettend te zijn.

    Het is zo rustgevend: God de Vader past wel op mij.

    Het houdt je kinderlijk, vertrouwend.

    Geloof behoudt dat kinderlijke en dat is goed.

    Een geloof dat niet verder komt dan het kinderlijke, weigert om volwassen te worden en verder te kijken. Het lijkt alsof je in de wieg, of in de box wilt blijven – dat is lekker veilig.

    De schilder Duitse Jörg Immendorff (1945-2007) toont zichzelf op het afgebeelde schilderij.

    Hij draagt een kaars in het donker van een Duits Tannenwald (dennenbos) voor zich uit. Hij houdt zijn hand be­schermend voor de vlam, zodat die niet uitwaait, en kijkt loerend en alert om zich heen, be­dacht op gevaar.

    Hij is een ‘wachterbij’ (de titel van het schilderij). Je zou kunnen zeggen: in de ge­meen­schap van bij­en, als in een soort fabel waarin dieren mensen zijn, vervult Immendorff de functie van de bij die op wacht staat.

    Wie naar andere schilderijen van Immendorff kijkt, ontmoet altijd de Duitse geschiedenis. Je moet weten wie wie is op zijn schilderijen en dat valt niet altijd mee. Eén ding begrijp ik heel goed van Immendorff: alert zijn, zien wie wie is en wat er speelt. En dat valt niet mee.

    Het liefst doen wij gewoon ons werk, gaan onze gang en stellen geen (moeilijke) vragen.

    Zeker in een tijd waarin er zoveel vragen zijn die zich voordoen als GROOT en ONBEANTWOORD­BAAR. Dat zijn er nogal wat.

    Vreemd – het lijkt wel alsof het nooit tot ons doordringt dat Jezus mensen niet prijst vanwege het feit dat zij ‘gewoon hun werk doen’. Integendeel, hij roept mensen achter hun netten vandaan om van ‘gewone vissers’ vissers van mensen te worden.

    Wat betekent dat in onze tijd?

    Het is een tijd waarin het niet zo duidelijk is wat mensen voor elkaar kunnen betekenen. Er is veel vrijheid, mensen kunnen en mogen veel, maar er is weinig verbinding tussen mensen, want dat lijkt op verlies van vrijheid. De kernkwaal is dat wij niet goed weten hoe wij vrijheid en verbinding met elkaar kunnen verbinden. Zo zijn onze levens georganiseerd en het is werkelijk lastig om daar door­heen te breken.

    Het schilderij van Immendorff doet mij ook denken aan de gelijkenis van de wijze en de dwaze jonge meiden. De vraag van Immendorff is: hoe houdt ik mijn lamp, mijn licht brandend? Hoe voorkom ik dat het licht dooft?

    Adam – waar ben je?

    Jij bent aangewezen als lichtdrager van God. Hoe ga je dat doen?

    Gerard Knol

    Het regent

    Het regent, het regent, de pannetjes worden nat, er kwamen twee soldaatjes an, die vielen op hun gat.

    Een andere versie is: het regent, het zegent. Misschien kan iemand mij helpen. Is ‘zegenen’ hier zoiets als ‘intensief regenen’? Ik kom in het woordenboek ook de ironische betekenis tegen van ‘slaan’. Soms wordt ‘uitzegenen’ gebruikt als vorm van uitschelden. Ten minste, zo ben ik het bijvoorbeeld in het Fries wel tegengekomen.

    De zomer heeft in het teken gestaan van absurd hoge temperaturen (bijv. in Canada!) en bosbranden en van hevige neerslag en overstromingen. Ik denk bij dat laatste natuurlijk aan Limburg, maar meer nog aan België en Duitsland (Nordrhein-Westfalen en Rheinland-Pfalz).

    Coby en ik hebben gespannen gevolgd hoe het Dernau verging, omdat daar mensen wonen die zij kent. Twee jaar geleden hebben we toen nog gekampeerd aan de Ahr op een camping die nu weggevaagd is. Het was verschrikkelijk om dat kolkende water te zien dat alles meesleurt dat erin terecht komt. Een caravan danste op het water, werd naar een doorgang onder de brug gezogen en verdween alsof je de wc doortrekt.

    Mensen stonden beteuterd bij wat er, nadat het water gezakt was, over was van hun huis. Alles wat je opgebouwd hebt – hup, in een moment weg!

    Omroep Max hield een actie voor de getroffenen in Limburg. De verzekering en de staat vergoeden niet alles schade die geleden is.

    Extreem weer wordt toegeschreven aan de milieucrisis waar wij middenin zitten. Er is onlangs een rapport verschenen dat ongeveer 16.000 rapporten samenvat en bijeenbrengt. Het valt niet te ontkennen dat onze manier van leven gevolgen heeft voor het voortbestaan van de aarde en van allen die erop wonen.

    Sommigen verwijzen naar de rampen, de plagen in de Bijbel en verkondigen dat het eind der tijden nabij is. Het is zeker een teken dat de toestand op aarde onhoudbaar wordt door verkeerde praktijken. Zo was het in de tijden van Noach. Onlangs was de film Noah op de buis, met Russell Crowe als Noach in de hoofdrol. Een hele donkere film. Ook een heel donker beeld van God, evenals van mensen.

    Ik kan niet wennen aan een dergelijke manier van denken: God straft via het milieu. Het woord tsunami betekent straf van God. Als God straft, houden mensen op met nadenken. En ook: als er ontwikkelingen zijn die ons ver boven de macht gaan, houden wij op met nadenken.

    Dit is denk de huidige tijd: mensen kunnen het niet aan en wíllen er niet aan (de ontkenning van feiten is op dit moment erg groot). In het teken van alledag: we willen gewoon graag doorgaan op de ingeslagen wegen. In zekere zin leven wij zoals de dieren: ook wij hebben zo onze manieren van doen ontwikkeld en wijken er niet graag van af. Er zit iets onverzettelijks in, ook wanneer ondergang en dood zich aandienen. Je ziet het niet aankomen, wilt het niet zien aankomen en vervolgens, wanneer de consequenties zich laten gelden, breekt er paniek uit. De feiten ontkennen, zoals de struisvogel zijn kop in het zand steekt. Ach en wee roepen als het te laat is.

    Maar laat ik niet doen alsof ik mij erboven verheven voel. Ik heb ook geen ‘betere visie’ op zak. En ik wil zeker niet de zoveelste onheilsprofeet uithangen.

    Mevr. Roxane van Iperen verzorgde onlangs in Zomergasten een avond televisie (25 juli 2021). Wat zij zei raakt me: het is volstrekt onvoldoende om de zaken te keren op basis van persoonlijke initiatieven. Het is nodig dat de machten in de wereld veranderingen doorvoeren die voldoende houtsnijden.

    De vraag is: zullen zij dat doen? Die machten worden bepaald door economisch gewin. En, zoals het nu lijkt, is economisch gewin de motor van veel rampzalige ontwikkelingen. Daar tegenoverstellen veel instanties en mensen die hun liefde voor de natuur inbrengen, dat we te ver van de natuur zijn afgedwaald.

    Nu kun je zeggen: het is te moeilijk voor mensen, God moet het oplossen. De filosoof Heidegger heeft ooit gezegd: “Alleen een god kan ons redden.” Zo somber schatte hij de mens en de menselijke situatie in. En ook de Bijbel zelf kent maar één perspectief: het komt met deze wereld helemaal verkeerd en pas daarna komt er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

    Het is een ware krachttoer om je niet te laten overmannen door angst en wanhoop. Het helpt in mijn ogen ook niet om valse hoop te koesteren. In welke mate we met de billen bloot zullen moeten? Ik weet het werkelijk niet.

    Ik weet wel dit: Christus, als beeld van de mens waarin God doorschijnt, leefde en leerde om niet angst, haat en wanhoop als uitgangspunt te nemen, maar alle mogelijke praktische vormen van liefde. Wij laten ons bij de hand nemen door eigenbelang, zoals ook dieren dat doen. Het hemd is nader dan de rok. Juist in deze tijd zullen wij moeten leren om de dingen anders te doen.

    Of we daarvoor genoeg tijd hebben? Volgens mij is het vooral een vraag van goede wil. We hebben te lang gedacht en erop gegokt dat het zo wel kon. Geloof heeft ook vaak betekend: God zal wel zorgen … In beide gevallen hebben wij zelf weinig verantwoordelijkheid genomen. Alles wijst erop dat we dat zullen moeten leren: met of zonder geloof. Gods liefde ontslaat ons niet van het leiden van ons eigen leven of van het dragen van onze eigen verantwoordelijkheid.

    De theoloog Tom Wright wees erop, in een pamfletje over Covid-19 en de crisis daarmee verbonden, dat christenen destijds Rome niet verlieten ten tijde van de pest, maar juist bleven om de zieken en stervenden bij te staan. Zij geloofden dat het eeuwige leven voor hen was weggelegd, ook al betekende dit dat zij het er hierbij in zouden schieten. Het stelt een vraag en het vraagt een antwoord.

    Ds. Gerard Knol

    Eén zwaluw maakt nog geen zomer

    Het is een bekend spreekwoord dat mensen maant om zichzelf niet al te vroeg (lees: voortijdig) gelukkig te prijzen.

    Een ander spreekwoord: prijs de dag niet voor het avond is.

    Dat brengt mij op de volgende gedachte: je hebt de stand van zaken (hier: de dag) en je hebt het verlangen dat het voor jou een goede stand van zaken zal blijken te zijn (hier: avond).

    Alleen de feiten zijn ons niet genoeg.

    Wij wíllen iets van de feiten, nl. dat zij in ons voordeel zijn.

    Vaak blijkt dat ons verlangen groter is dan de stand van zaken.

    Dan zijn we dus teleurgesteld: wat wij ervan verwachtten is niet uitgekomen.

    Wij denken pas dat God ons zegent, wanneer die zegen beantwoordt aan onze verlangens.

    Vandaar ook dat onze gebeden samenvallen met onze verlanglijstjes.

    Er wordt vaak gebeden: Heer, geef toch, laat toch enzovoort.

    Wij vinden het fijn als onze God bijdraagt aan ons goede leven.

    Het lijkt eigenlijk veel op ‘het lot uit de loterij’.

    Het is dan alleen niet een kansspel, maar een leven dat door God ten goede wordt geleid.

    Wat moet God dan als het verlangen van de één strijdt met het verlangen van de ander?

    Het is namelijk een gegeven dat de verlangens van de een ingaan tegen de verlangens van de ander.

    En ook dat mensen verlangens koesteren waarin de ander helemaal niet voorkomt.

    Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand.

    Dat is het grootste en eerste gebod.

    Het tweede is daaraan gelijk: heb uw naaste lief als uzelf.

    (Evangelie naar Matteüs 22, 37 – 39)

    Wij leven in een westerse cultuur waarin het heel normaal is geworden om uit te gaan van jezelf en in alles je eigenbelang te zoeken. Daarom is er ook veel eenzaamheid en onvermogen om goede, langdurige relaties aan te gaan. De lat ligt in alles heel hoog. Gelukkig zijn is het ultieme doel op zichzelf geworden.

    Ouderen denken: dat was vroeger wel even anders. Ja, inderdaad: vroeger werd ons geleerd om eerst om een ander te denken (vooral vrouwen hadden dat heel goed begrepen, mannen meestal iets minder).

    Maar laten we eens kijken naar de tekst: God liefhebben en de naaste als jezelf.

    God is vaak een bepaling geweest bij de liefde die afleidde van de liefde, omdat de goddelijke eis heel zwaar en groot was (evenals ons menselijke falen). Net zoals de ander een bepaling bij de liefde is geweest die afleidde van jezelf. Nu lijkt dat precies andersom: je bent zelf de bepaling van de liefde die afleidt van de ander.

    Ik hoor een koortje in mijn hoofd zingen: de gulden middenweg is de beste.

    Er is geen gulden middenweg, wanneer de liefde in het geding is.

    Durven we onszelf en elkaar toe te geven dat we allereerst om ons eigen bestaan geven en erom treuren wanneer het niet zo goed gaat (= zoals wij willen dat het gaat)?

    God kijkt zo niet. Hij ziet niet alleen ons eenzame ikje en zijn of haar belang. Hij ziet het geheel. Hij houdt van alles en iedereen en luistert daar ook naar. De stand van zaken is in zijn ogen altijd groter dan in die van ons individuele mensen.

     

    Liefde kan alleen vervullend zijn, wanneer zij ons opent naar de ander en naar het andere.

    Laten we beginnen bij de situatie zoals deze is (maakt niet uit welke situatie: een bepaalde stand van zaken in een situatie).

    Hoe is die? Kun je dat voor jezelf bekijken en formuleren? Kun je voor jezelf ook zien dat wat jij ervan verwacht niet alles is? En zeker niet zaligmakend?

     

    Stel: je koopt een lot in de staatsloterij (denk maar aan de tv-reclame die laat zien hoe mooi de verwachting, het verlangen is!). De staatsloterij wil je laten geloven dat JIJ de gelukkige zult zijn (en daarom koop jij dat lot). De prijs valt. Ja, maar weer niet op jouw lot. Je bent teleurgesteld.

    Stel je voor dat Gód zo zou werken … De wereld als grote grabbelton waaruit iedereen het zijne/hare graait. Het leven van een mens als roulette waarin de balletjes maar rondgaan en in de verkeerde vakjes vallen.

     

    Gods pleidooi voor liefde heeft niets te maken met een lot uit de loterij.

    God nodigt jou uit om jouw lot zelf in handen te nemen als het om liefde gaat.

    Je zit niet thuis te wachten tot er iemand aan- of opbelt.

    Je gaat de deur uit om jezelf kenbaar te maken uit liefde.

     

    Zie je hoe dit de feiten op zijn kop zet.

    De wereld is geen koude, objectieve stand van zaken die jou (bij toeval) gelukkig of ongelukkig maakt.

    De wereld is een warme, menselijke stand van zaken, wanneer mensen gaan begrijpen dat onderlinge liefde (of het gebrek eraan) de gang zaken bepaalt.

     

    Het Koninkrijk van God is geen stand van zaken – al héél lang niet!

    Het Koninkrijk van God is midden onder ons, wanneer wij leven vanuit de liefde.

    We denken nog steeds dat het een sprookje is dat niet uitkomt, omdat we wachten op het lot uit de loterij. Op de dag dat God uit de hemel komt en alle loten verzilvert. En dat gebeurt maar niet.

    Jezus zegt dat we niet moeten gaan zoeken en kijken of het hier of daar soms is.

    Heb God lief en de naaste als jezelf. Dat is zijn gebod.

     

    Laat liefde de bepaling zijn bij God.

    Laat liefde de bepaling zijn bij jezelf.

    Laat liefde de bepaling zijn bij de ander.

    En je zult ontdekken wat een vervuld leven is.

    Goede zomer!

    Gerard Knol

     

    Zie de mens

     In het Latijn: Ecce homo!

    De uitroep van Pilatus bij de presentatie van de gedoornenkroonde Jezus.

    Er moet gekeken worden – zo luidt de opdracht: KIJK!

    Maar … wat zie je dan?

    Zie je de bespotte, gekleineerde mens en lach je hem vervolgens uit?

    Zie je de bespotte, gekleineerde mens en heb je vervolgens deernis met hem?

    Wat zie je?

    Zie je IEMAND, een ECHT MENS?

    Voel je soms ook woede vanwege het onrecht dat iemand wordt aangedaan?

    Ik denk dat het belangrijk is om zo lang mogelijk te blijven staan bij dit kijken.

    Dat doen we te weinig.

    Wij kijken graag weg, omdat we ons schamen, het te erg vinden om te kunnen aanzien, omdat we er geen deel aan willen hebben.

    Pilatus probeert de mens deelgenoot te maken van deze vernedering. Zie de mens! is een poging om ons een spiegel voor te houden, ons tot inkeer te brengen, zelfs op de knieën te dwingen.

    Het volk schreeuwt: aan het kruis met hem! Weg ermee! Dit soort menszijn willen wij niet. Waren schertsvertoningen maar zo onschuldig als carnaval, maar dat zijn ze niet. Ze lopen uit op een moordpartij, een lynchpartij, de orgie van bloeddorst.

    Bij zinnen vinden we het te erg en kijken het liefst weg. Opgewonden en in een trance van woede schreeuwen wij om bloed. Daarom keer ik terug naar het begin: zie de mens!

    Als wij ons niet herkennen in de ander zoals die zich aan ons voordoet, zich aan ons kenbaar maakt, begint er al iets te haperen.

    Als het dan ook nog eens zo is dat de ander gepresenteerd wordt als een karikatuur, als een vijand of als een idioot, of vul maar in, dan knapt er gemakkelijk iets. Je hebt niet langer het gevoel met een mens van doen te hebben.

    Zoals de joden in de tijden van het nationaalsocialisme: Ungeziefer – ze werden weggezet als ongedierte. En de nazi’s werden in hun tijd verbijsterend weinig tegengesproken. Integendeel: men, de onzichtbare mensen in de massa, viel hen bij.

    Het zijn de beelden van de mens, de maskers die anderen opgezet worden, die hun menselijkheid aan het zicht onttrekken. Dan kun je eieren, rotte tomaten en dergelijke gooien, hoonlachen. En uiteindelijk ook doden. Je hebt niet het gevoel dat je iets verkeerds doet. Je doet niet iets dat ook jouw menselijkheid schaadt.

    Zie de mens!

    Pas achteraf, in de spiegel van de menselijkheid, tot bezinning gekomen, ontdek je dat je iets hebt gedaan dat misdadig is. Joden bleken wel degelijk mensen. Achteraf en bij nader inzien. Zo ook vrouwen. Kinderen. Verstandelijk gehandicapten. Oude, dementerende mensen. Psychiatrische patiënten. Arbeiders. Zwarte mensen. Homo’s. Enzovoort.

    Zie de mens!

    van de mens als MENS. Als je de mens in de ogen kijkt – en daarmee ziet als mens –  kun je hem of haar niet doden. Alleen als je de mens ziet als ding, als minder-dan-mens, kun je hem doden. Laatst zag ik in een aflevering van Midsomer Murders een moordenaar die zijn slachtoffer vroeg om zich om te draaien, met haar gezicht naar de muur gekeerd. Pas toen kon hij Alles in de wind, alles in de wind, het is maar een schipperskind! (Zo vertelde mij een gemeentelid jaren geleden die zelf dat schipperskind was.) “Linda pinda poepchinees!” Waar hebben we toen om gelachen? We waren nog maar kinderen uit de eerste klassen van de basisschool. Ik schaam me dood als ik eraan terugdenk. Ik heb haar nooit gezegd hoe aardig ik haar werkelijk vond. Zij en haar familie waren de enige zwarte mensen op een bijna nog helemaal witte samenleving. Ik kan me nu voorstellen dat het voor hen bepaald niet gemakkelijk is geweest. Ik kan nu wel zeggen dat ik toen niet wist wat ik zei, maar dat neemt niet weg dat ik kennelijk ook toen al geleerd had op een bepaalde manier te kijken … Of beter: om op een bepaalde manier NIET te kijken.

    De filosoof Emmanuel Levinas heeft ons erop gewezen dat het gebod ‘gij zult niet doden’ aansluit bij de verschijning afdrukken.

    De nazi’s hadden het nodig om de Joden te zien als misdadigers, als samenzweerders, als onmensen, anders konden zij zich niet ontdoen van de onreinheid, de infectie die de Duitse natie verziekte. Zo had men het nodig om Jezus neer te zetten als een schertskoning. Pas daarna kon men zich van hem ontdoen.

    Men belaadt de onschuldige met schuld en reinigt zich zo van de zonden, van de onreinheid die men zelf aankleeft. De zondebok. Het is een kwestie van projectie: wat je van de ander zegt, ben je zelf. Maar dat weiger je te zien. Je rekent de ander toe waarvan je jezelf ontslaat.

    Zie de mens!

    De filosoof Friedrich Nietzsche wijdt een boek met de titel Ecce homo aan de manier waarop hij als mens wil worden gezien en gewaardeerd, omdat hij wel weet dat mensen het hunne van hem denken. In dat laatste heeft hij geen vertrouwen.

    Zo is het ook: wie je bent wordt bepaald door hoe anderen jou zien. Zelfs hoe jij jezelf ziet en ervaart wordt voor een belangrijk deel bepaald door de vele manieren waarop andere mensen jou zien en ervaren. In het begin is de reactie van jouw ouders op jou van levensbelang voor hoe jij jezelf ziet en voelt. We gaan er maar vanuit dat je in liefde werd gezien, maar dat staat helaas allerminst als een vanzelfsprekende paal boven water. En daarop brei jij dan weer verder aan het verhaal dat jij IK noemt.

     

    Ik kom zoveel mensen tegen die geen ideaal leven hebben gehad en zijn getekend door het leven. De meeste mensen hebben het niet voor het zeggen gehad. De meeste mensen zijn niet zo heel ruim bedeeld met liefde en positieve waarderingen. Soms zie ik zelfs dat mensen zichzelf zien als een karikatuur, als een schertsfiguur van zichzelf.

    Maar zo ziet God ons niet. Het levende water dat Jezus, zoals hij zegt in Johannes 4 vers 14, in jou legt als de bron van eeuwig leven. Het is het tegengif tegen het kwaad van de onmenselijkheid. God ziet ons zoals wij zijn. Zonder beeldvorming. Zonder masker. Niet als spotprent. De uitdaging is om in dit licht altijd de menselijkheid van mensen, ongeacht wie, te blijven zien en de vele technieken die mensen hanteren om anderen te framen, af te schrijven, te vernederen, uit te rangeren, kapot te maken en uiteindelijk te laten verdwijnen of te doden, NIET te gebruiken. Zie de mens! (Mijnheer Poetin: zie Navalny (als mens)!)

    Gerard Knol

    Het duurt nog wel even

    We zitten nu al even in een tweede, strenge lockdown.

    Het is anders dan de eerste keer in maart 2020.

    Er is uitzicht op een vaccin, maar ja, de productie kan het niet bijbenen. Miljoenen en nog eens miljoenen wachten op hun beurt. Het laatste nieuws is dat Astra-Zeneca kampt met vertraging. Ook Johnson & Johnson, een Amerikaanse producent.

    De regering is dus gevallen in verband met de toeslagenaffaire. Ondertussen moet een demissionair kabinet, zoals dat heet, doorregeren onder een spervuur van kritiek. En dan zijn er ook nog de aankomende tweede Kamerverkiezingen. Er is veel onvrede of beter misschien: onlust. Met erupties van geweld.

    In Amerika moet Joe Biden zien verder te gaan en te repareren wat Trump heeft vernield, terwijl een groot deel van de Amerikaanse bevolking hem niet vertrouwt. Hij zou te soft, te ‘socialistisch’ zijn. Gaat hij de coronacrisis oplossen, of in ieder geval verbetering brengen? Gaat hij de zo vurig gewenste hervorming van de politie tot stand brengen? Kan hij de Amerikanen weer verenigen?

    Allemaal zaken waarvoor je de medewerking van de bevolking heel erg hard nodig hebt. En vooral van de politiek, voor- en tegenstanders!

    Geef vrede, Heer, geef vrede, de wereld wil slechts strijd.

    De openingszin uit Lied 1010.

    Kyrie eleison, ontferm U over ons.

    En dan heb ik het persoonlijk behoorlijk goed.

    Aan de randen van de Europese Unie creperen de vluchtelingen.

    Het is een tijd van veel te veel issues en onopgeloste zaken.

    Jammer dat we het altijd zo druk hebben met onze persoonlijke huishouding.

    Er rest zo weinig tijd en energie om daadwerkelijk te leven voor en met anderen.

    Ik las een verhaal van Massih Hutak in de bijlage Tijdgeest van Trouw (d.d. 23 01 2021). Via een reis vanuit zijn thuisland Afghanistan via Pakistan, waar zijn moeder overlijdt aan borstkanker, komt de 11-jarige Massih aan in Nederland, Amsterdam-Noord. Na vele verhuizingen van asielzoekerscentrum naar asielzoekerscentrum voelt deze buurt voor hem thuis. Het is een mooi, bemoedigend verhaal van iemand die grond onder de voeten krijgt.

    Ik heb al jarenlang, zo lang als ik leef, grond onder de voeten, Nederlandse grond. Van Dokkum, als zuigeling, naar Poortugaal, naar Moordrecht, naar Kampen, naar Easterein, naar Goutum, naar Leeuwarden, naar Reduzum, naar Bierum, naar Steenwijk. Welke grond heb ik onder de voeten?

    Waarom praat ik nooit met iemand zoals Massih Hutak? Ik praat meer met mensen die al heel lang gewoond hebben waar zij nu leven, als zij er niet ook zelfs gebóren zijn (en er hopen te sterven).

    De wereld is vreemd, zo vreemd, zo ontzettend vreemd. Ik lees momenteel in een reeks van 6 boeken van de hand van Konstantin Paustovski, een Russische schrijver (1892 – 1968), die zijn hele leven gezworven heeft door Rusland. Hij schrijft er treffend over, zijn omzwervingen, zijn verblijfplaatsen. De wereld is vreemd, zo vreemd, zo ontzettend vreemd, omdat mensen doen wat ze doen en zijn zoals ze zijn, zo gehecht aan elkaar en zo vijandig tegenover elkaar.

    Ik las in een artikel over Pim van Lommel in Trouw (d.d. 19 01 2021) de volgende passage:

    “Als jonge arts was ik een materialistisch denker. Ik had geleerd dat bewustzijn een product is van de hersenen, dat stond voor mij vast.

    Totdat ik in 1986 het boek Terugkeer uit de dood las van psychiater G.G. Ritchie, die als medisch student stierf aan een dubbele longontsteking, maar door een injectie met adrenaline rechtstreeks in het hart weer terugkwam in het leven. In het boek beschrijft hij zijn zeer indringende bijna-doodervaring.

    Kort daarna ging hij als hospik het leger in en landde tijdens de oorlog in Normandië, om vervolgens als eerste in een aantal concentratiekampen langs te gaan. Een van zijn indrukwekkendste verhalen gaat over een Poolse man, die iedereen in het kamp aan het helpen was. En hoewel het merendeel van de mensen halfstervend en ziek was, liep deze man er al vier jaar sterk en gezond rond. Ritchie vroeg hem hoe het mogelijk was de ellende van het concentratiekamp te overleven. Hij vertelde dat zijn vrouw en kinderen in Warschau voor zijn ogen waren doodgeschoten en dat hij zich op dat moment realiseerde dat hij de keus had: ga ik haten of ga ik liefhebben? Die intrinsieke keuze voor liefhebben gaf hem de kracht om door te gaan.”

    Ga ik haten of ga ik liefhebben? Het is de keuze die Jezus tot Christus, Zoon van God, maakt: Heb God lief en je naaste als jezelf.

    17 februari is het Aswoensdag en begint de tijd van de veertig dagen voor Pasen.

    Christus gaat door het lijden, door de dood, door de hel en staat op tot een nieuw leven.

    Door de doop, zegt Paulus, staan wij ook op tot een nieuw leven. (Romeinen 6,4)

    Ik zal blij zijn als er een goed vaccin is.

    Ik zal nog blijer zijn als wij begrijpen, echt begrijpen dat het zo niet langer kan en dat het daarom niet langer zo moet!

    Er is nog iets anders aan de hand dan covid-19 (en mutaties …).

    Een kwaal waartegen geen vaccin is.

    Christus (of zijn bloed) ís geen vaccin. Christus vraagt navolging.

    Wij kunnen voor elkaar de hel zijn (zo zag de Franse filosoof Jean Paul Sartre het).

    En wij kunnen, zoals Christus, voor elkaar de hemel op aarde zijn, wanneer wij elkaar beminnen.

    Volgens sommigen is Joe Biden een softie die zo denkt (bekijk zijn inauguratie van 20 januari nog maar eens: alsof je in de kerk bent!). Hoe dan ook – ik heb dit 10.000 keer liever dan Trump (of Poetin, of Xi Ping, of Erdogan, of …).

    Maar ik weet ook dat er daarom duidelijke en harde keuzes moeten worden gemaakt in het voordeel van medemenselijkheid. Black Lives Matter. Het zal tijd worden dat onze zwarte medemensen aan de beurt komen en niet steeds het onderspit delven en aan het kortste eind trekken. En dat kan alleen als we het met elkaar doen, samen doen. Wat kinderen voor alles geneigd zijn te doen.

    Het heeft geen zin om te mopperen en te schelden, af te geven op de (demissionaire) regering of naar wapens te grijpen. Dat maakt de wereld niet anders, niet beter. Wie ben ik en wat kan ik doen? Wie ben jij en wat kun jij doen? Jezus had een team van 12 als volksvertegenwoordiging. Hm, een goed begin.

    Gerard Knol

     

    2021

    Een nieuw jaar op de teller.

    Ineens moet ik denken aan het lied: “Op bergen en in dalen, ja overal is God”.

    Op bergen en in dalen
    en overal is God.
    Waar wij ook immer dwalen
    of toeven, daar is God.

    Waar mijn gedachten zweven
    of stijgen, daar is God.
    Omlaag en hoog verheven
    ja, overal is God.

    Zijn trouwe Vaderogen
    zien alles van nabij.
    Wie steunt op zijn vermogen
    die dekt en zegent Hij.

    Hij hoort de jonge raven,
    bekleedt met gras het dal,
    heeft voor elk schepsel gaven,
    ja, zorgt voor ‘t gans heelal.

    Roem Christen, aan mijn linke
    en rechterzijde is God.
    Waar ‘k macht’loos nederzinke
    of bitter lijd’, is God.

    Waar trouwe vriendenhanden
    niet redden, daar is God.
    In dood en doodse banden,
    ja, overal is God

    Dit is wel een mooie uitvoering op “Nederland zingt”.

    Ik wist niet (meer) dat de eerste zin ‘op bergen en in dalen EN overal is God’ was.
    Het lied is een verbinding van Gods grootheid in de schepping, zoals je dat ook vindt in diverse Psalmen, de grootheid van Gods regering en de grootheid van Gods trouw die je bijstaat in alle dingen. De schaduw aan je rechterzijde (Psalm 121,5). Het is een lied dat moeiteloos samenvloeit met een ander lied uit mijn jeugd: hoger dan de blauwe luchten en de sterretjes van goud woont een Vader in de hemel die van alle kinderen houdt.

    Maar ….         Er blijft altijd iets wringen.

    Ik wil niets aan deze liederen afdoen. Zeker niet dat ik ze graag heb gezongen in mijn vroege jeugd. Dat ze een jong mens als ik konden vullen met vreugde en vertrouwen.
    Ik snap ook dat oudere mensen dit ‘kinderlijke’ geloof niet graag kwijt willen. Maar een lied verandert de wereld niet.

    Stel, je bevindt je in een vluchtelingenkamp – zou je een dergelijk lied dan uit volle borst gaan staan zingen: waar trouwe vriendenhanden niet redden, daar is God?

    Jezus sommeert zijn leerlingen, wanneer zij afdalen van de hoge berg waar zij zijn transfiguratie (zijn gedaanteverandering) hebben meegemaakt, te zwijgen over wat zij hebben gezien “voordat de Menszoon uit de dood is opgewekt” (Matteüs 17,9).

    Het lied is niet verkeerd. Het wordt vaak te ondoordacht gezongen. Het kan zelfs sentimenteel worden, omdat men zich de implicaties niet realiseert. Wie de grootheid van God in schepping en bestel bezingt, verplicht zich in zijn/haar leven om daarnaar te leven.

    Ik haat, Ik verfoei uw feesten, in uw vieringen schep Ik geen genoegen. Want als u Mij brandoffers en meeloffers brengt behagen ze Mij niet; uw vredeoffers van gemeste kalveren kan Ik niet meer aanzien. Bespaar Mij het lawaai van uw liederen; de klank van uw harpen wil Ik niet meer horen! Nee, het recht moet stromen als water, de gerechtigheid als een nooit opgedroogde beek.

    (Amos 5,21 – 24)

    En:

    ‘Wat heb Ik aan al uw offers?’ zegt de HEER. ‘Ik ben verzadigd van de brandoffers van uw rammen en van het vet van uw mestkalveren. Ik schep geen behagen in het bloed van stieren, lammeren en bokken. Wie heeft u gevraagd mijn voorhoven plat te lopen als u komt om voor Mij te verschijnen? Breng Mij toch niet langer nutteloze meeloffers. Uw wierook is een gruwel voor Mij. Nieuwe maan, sabbat en feestbijeenkomst: feest vieren samen met onrecht kan Ik niet uitstaan. Uw nieuwe maan, uw feesten, Ik haat ze hartgrondig, zij zijn een last die Ik niet langer dragen kan. Wanneer u uw handen uitstrekt, sluit Ik mijn ogen voor u, zelfs als u uw gebeden vermenigvuldigt, luister Ik niet naar u: uw handen zitten vol bloed. Was u, reinig u! Uit mijn ogen met uw misdaden! Houd op met kwaad doen. Leer liever het goede te doen, betracht rechtvaardigheid, help de verdrukten, verschaf recht aan de wezen, verdedig de weduwen.

    (Jesaja 11,11 – 17)

    De profeten herinneren ons eraan dat het meest betekenisvolle omslaat in zinloosheid en bedrog, omdat het vertoon is, of de extase van het moment (je goed voelen).

    Op bergen en in dalen – als we overal God tegenkomen, staren wij daarbij liever niet in de verten (kijk toch eens hoe mooi!), maar kijken wij elkaar in de ogen.

    Ik hoop voor dit jaar alle goeds voor ons allen!
    Een jaar zonder de dreiging van weer een covid-19 golf.
    Nog meer hoop ik op een jaar van ontwaken, van een groter, ruimer bewustzijn
    Van Gods grootheid en van ons naar Gods beeld en gelijkenis geschapen zijn.

    Gerard Knol

    Een jongetje op Soerabaya (Java) wandelt langs een dreigende muurtekening die aandacht vraagt voor de strijd tegen corona. (Trouw 01 10 2020)

    Hoe houden we de moed erin?

    “Weerbaarheid – Met de tweede golf van de coronacrisis spoelt er ook flink wat somberheid door het land. Hoe houden we perspectief? Trouw zocht naar wijze raad. Kijk wat nog wél kan – en denk aan de bokspartij Ali-Foreman.”

    Zo begint het voorpagina-artikel van dagblad Trouw van vandaag (01 10 2020).

    Rutte gisteren in de Tweede Kamer: “De coronamoeheid slaat toe, zeker nu de dagen korten en ons leven zich weer meer achter de voordeur gaat afspelen.” Er zal nóg meer gevraagd gaan worden van de mentale weerbaarheid van mensen.

    Filosoof Lammert Kamphuis vertelt over een experiment dat een antwoord op die vraag in zich draagt: “Psychologen zetten eens drie groepen mensen onder aan een berghelling. De mensen uit de eerste groep stonden er in hun eentje, de mensen uit de tweede groep mochten een vriend meenemen, en aan de derde groep werd gevraagd om aan vrienden te dénken. De groepen kregen de vraag: hoe steil denk je dat de helling is? De eerste groep, die er alleen voor stond, schatte de berg het steilste in.”

    Voorts verduidelijkt hij: “Het leven lijkt minder zwaar wanneer je mensen om je heen hebt die je steunen. Maar vooral, zeg ik de stoïcijnse filosoof Epictetus na: het is niet de situatie die ons verwart, het zijn onze denkbeelden erover.”

    Tegengif?

    Kijken naar wat er nog wél kan (psycholoog Madelijn Strick).

    De delen van de dag markeren m.b.v. wandeling en meditatie bijvoorbeeld (theoloog en monnikThomas Quartier).

    Jezelf trainen in geduld, zoals Mohammed Ali deed in zijn bokswedstrijd tegen George Foreman. Het leek of hij zich liet inpakken door Foreman. Het bleek dat hij hem zo afmatte. Uiteindelijk was het Ali die Foreman knock out sloeg. Wij moeten de klappen van het virus incasseren en uiteindelijk overwinnen wij het virus.  (Aldus, andermaal: filosoof Kamphuis)

    Humor, zoals we die aan de dag legden tijdens de eerste coronaronde. Humor helpt om minder somber, gestrest, bezorgd en verveeld te zijn én het helpt om onderling af te stemmen.

    Als laatste: in contact blijven. Sociaalpsycholoog Paul van Lange van de Vrije Universiteit noemt het vitamine S (van sociaal).

    Deze gezichtspunten houden we in gedachten.

    Het zijn praktische vingerwijzingen die niet al te moeilijk zijn.

    Het moeilijkste is het tegenspreken van onze angsten op een dieper niveau.

    De onverschilligheid inzake en het verzet tegen stringente maatregelen, twee sociale verschijnselen die mij opvallen, kunnen toegeschreven worden aan een grote behoefte om de dieperliggende angst niet te voelen. Een vorm van ‘je kop in het zand steken’.

    Hoe erken je angst zonder je erdoor te laten bepalen?

    Met enige nuchterheid. Kijk uit het raam en constateer dat de wereld er nog steeds is, ondánks corona, zij het mét corona.

    Kijk naar de mensen om je heen. Ook zíj zijn er nog steeds. Probeer op zo’n moment toe te laten dat er liefde is.

    Kijk ook naar de gemeente waarvan jij deel uitmaakt. Waar twee of drie in mijn naam vergaderd zijn, ben ik in hun midden. Aldus Jezus, genezer van mensen.

    Leg, als laatste, voordat je gaat slapen en wanneer je opstaat, je leven in handen van God. Wijd je leven aan God. Dat is wezenlijk méér dan een antigif tegen corona. Het is ook geen stringente maatregel tégen corona. Het is het licht, de sfeer waarin je leeft, ook al zet je je maar aan de gewoonste dagelijkse taken. De nabijheid van God vormt een ándere basis van vertrouwen dan welke tactiek ook om de angst tegen te spreken. Toegegeven: ik zal nooit beweren dat het altijd gemakkelijk is. Maar ieder moment dat je de waarheid ervan ervaart, is er één.

    Gerard Knol

     

    De aarde en haar volheid

    Pak de psalm er eens even bij. Psalm 24.

    “Van de HEER (= de onuitgesproken en onuitspreekbare NAAM van God) is de aarde en alles wat daar leeft, de wereld en wie haar bewonen.”

    Zing even mee: “De (laag) aar- (hoger) de (lager) en haar volheid zijn des Heren ko- nink (de hoogste toon in deze psalm) lijk domein, de wereld en die daarin wonen.”

    De psalm proeft de majesteit van God die binnenkomt in de stad op de berg. Sion/Jeruzalem zal ongetwijfeld bedoeld zijn, maar wordt niet genoemd.

    De berg van de HEER. Alleen een zuiver mens mag er komen. “Wie reine handen heeft en een zuiver hart, zich niet inlaat met leugens en niet bedrieglijk zweert.”

    Deze mens zal zegen en recht ontvangen van God.

    Wie is dan die God, die koning vol majesteit?

    De HEER – allerlei kwaliteiten worden genoemd en het eindigt met: de HEER van de hemelse machten.

    En zo zijn wij ongemerkt via de fundamenten van de schepping beland in de hemelse sferen.

    En centraal in deze kosmos staat de ontmoeting van mens en God: de zuiverheid van hart en wezen tegenover deze majesteit die zegent en recht verschaft.

    Is Moria (denk maar aan het vluchtelingenkamp) ook deze berg van de HEER? De plek waar de engel van de HEER ingreep om te voorkomen dat Abraham zijn eniggeboren zoon van het verbond, Izaäk, zou offeren (Genesis 22).

    Een mens zonder leugen, van onbesproken gedrag, betrouwbaar in woord en daad.

    We kunnen deze psalm niet zingen zonder tegen de wereld van onze tijd aan te lopen, zonder te struikelen, ons te verslikken in de woorden.

    Wij worden op de proef gesteld: Adam, waar ben je? Mens, wie wil je zijn?

    We maken graag selfies. We verlangen naar geluk en naar succes. Maar wat is de betekenis van ons leven?

    Als wij geluk en succes als uitgangspunt nemen, komen wij niet automatisch uit bij betekenis en zin.

    Gezondheid en liefde dan?

    Nou, ja, … reine handen, een zuiver hart, wie zich niet inlaat met leugens, zegt de psalm.

    Zegen en recht van God. Is dat hetzelfde als geluk, gezondheid of liefde?

    Liefde kalibreert ons leven.

    Kalibreren = het kaliber vaststellen. Van internet: “Kalibreren – het vergelijken van de metingen van een instrument met die van een ander instrument waarvan men weet dat het betrouwbaar is, om een eventuele systematische meetfout te ontdekken, zodat daarvoor gecorrigeerd kan worden.”

    En daarom: laat liefde dan ook het kaliber zíjn dat ons leven waardevol maakt – zonder leugens.

    Ds. Gerard Knol