• Agenda:

    Volgende eredienst:
    Datum: 25 januari 2026
    Tijdstip: 9.30 uur
    Kerk: Irenekerk te Bierum
    Voorganger: de heer C. Smits uit Groningen
    Dienst is online mee te kijken

  • Bij het begin

     In het begin was het woord, het woord was bij God en het woord was God. Het was in het begin bij God. Alles is erdoor ontstaan, zonder het woord is niets ontstaan van wat bestaat. Joh 1: 1-3

    Woorden. Woorden scheppen. Woorden benoemen. Woorden vertellen ons, dat Christus de Zoon van God is, onze Messias, die voor ons de poort naar God opende.

    God heeft het eerste woord.
    Hij heeft in den beginne
    het licht doen overwinnen,
    Hij spreekt nog altijd voort.

    Woorden.  Jezus die zegt: Heb God lief boven alles en de naaste gelijk uzelf.  Woorden om na te volgen. Woorden om naar te leven. Jezus woorden.

    Onze woorden. Onze woorden scheppen en benoemen. Wat scheppen en benoemen wij? Wij benoemen dingen als tafels, stoelen, auto’s, treinen en wat al niet meer. Wij benoemen niet alleen dingen. Wij benoemen ook mensen en scheppen daarmee beelden van hen. Wij scheppen met onze woorden onderlinge relaties, sferen en verhoudingen tussen mensen.
    Onze woorden kunnen opbouwend zijn maar ook een voedingsbodem voor lelijkheid. Met woorden kunnen wij lofliederen zingen, maar met woorden kunnen wij ook ontaarden in gescheld, gefit en discriminatie. Onze woorden kunnen geweld veroorzaken, relaties, schaden en verbreken. Woorden kunnen in zichzelf gewelddadig zijn. Geweld tegen de naaste is vaak verknoopt met woorden. Woorden die mensen niet alleen mentaal, maar ook fysiek en lichamelijk pijn kunnen doen.

    Want woorden kunnen gericht zijn op kleinering en vernedering van onze medemens. Zoals woorden om vrouwen het ambt te ontzeggen, woorden om mensen vanwege hun seksuele geaardheid buiten te sluiten. Woorden kunnen zelfs gericht zijn op vernietiging van onze medemens. Want woorden kunnen oproepen tot haat, moord en doodslag. Zo scheppen woorden machtsverhoudingen en uit machtsverhoudingen vloeien weer woorden voort. Woorden die de machtsverhoudingen in stand houden. De mens schept met zijn woorden zowel recht als onrecht. Woorden die onrecht kunnen legitimeren en benoemen als zijnde het recht.

    Woorden hebben altijd een lading. In het dagelijkse onderlinge verkeer tussen mensen, maar zeker ook in de politiek. Want daar klinken de woorden van leiders. Woorden die mensen doen volgen. Woorden die mensen doen geloven in wat er wordt gezegd.

    Woorden die mensen neerhalen, een onveilig gevoel geven, die mensen discrimineren, mensen wegzetten, mensen knechten, mensen wegwerpen alsof ze er niet toe doen.

    Woorden zijn niet alleen een afspiegeling van het nu. Woorden creëren, scheppen ook een toekomstige werkelijkheid. Een werkelijkheid die gericht kan zijn op het tot zijn recht laten komen van onze medemens, gericht zijn op het verheffen van onze medemens. Woorden die mensen inspireren, doen opstaan tegen onrecht, tegen vernedering, tegen onderdrukking.

    Vaak weten wij niet hoe onze woorden uitwerken. Want zelfs als we denken dat we het goed doen of niet zo kwaad bedoelen, moeten we ons realiseren, dat wij als individuen niet of nauwelijks instaat zijn om te verwoorden wat de ander voelt of ondergaat. 

    Wees daarom niet te haastig met woorden. Want God is in de hemel en wij zijn op de aarde. Laten we daarom zorgvuldig zijn met onze woorden. Laat Jezus woorden het uitgangspunt zijn in ons handelen en spreken. Jezus die zegt: Heb God lief boven alles en de naaste gelijk uzelf. Woorden om na te volgen. Woorden om naar te leven. Jezus woorden.

    Jezus volgen in woorden en in daden. Dit zal niet altijd lukken, niet altijd goed gaan. Soms zal het zelfs finaal verkeerd gaan. Dan klinken er woorden van spijt, berouw of verdriet.

    Woorden. Woorden scheppen. Woorden benoemen. Woorden vertellen ons, dat Christus de Zoon van God is, onze Messias, die voor ons de poort naar God opende.

    God staat aan het begin
    en Hij komt aan het einde.
    Zijn woord is van het zijnde
    oorsprong en doel en zin.

    Een God die de wereld zo liefheeft, dat hij zijn enige Zoon gegeven heeft, opdat eenieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.

    Daarom mag en kan ik tegen iedereen zeggen:
     veel heil en zegen bij het begin van dit nieuwe jaar.

    Piet Kort



    Het mooiste kerstverhaal.

    “Zo, dus je weet niet wat voor kerstoverdenking je moet schrijven? “Hij keek me met enige verbazing aan. “Waarom schrijf je dan niet over het mooiste kerstverhaal dat er bestaat?”
    “Ach”, verweerde ik me, “Lucas 2 is toch zo ongeveer grijs gedraaid. Wie kan daar nog iets zinvols of verrassends over schrijven?”
    “Meen je nu echt, dat Lucas 2 het mooiste kerstverhaal is? Je bent de zeventig voorbij en volgens mij heb je er nog nooit een snars van begrepen. Lucas 2 is zeker niet het mooiste kerstverhaal. Lucas 2 heeft wat mij betreft een hetzelfde niveau als het verhaal over het meisje met de zwavelstokjes. Het is lekker romantisch, je kunt er heerlijk bij weg zwijmelen. Het zielige meisje dat geen plaats kan vinden om te bevallen, of het zielige meisje dat naar de hemel gaat. Beide verhalen gaan volledig voorbij aan de realiteit van het echte leven. Nee, het mooiste kerstverhaal vind je op het einde van het Johannes evangelie. “
    Verbaasd keek ik hem aan en zei: “Ik denk dat heel veel mensen dit toch niet helemaal met je eens zullen zijn. Op het einde van het Johannes evangelie? Daar gaat het toch niet over Jezus die geboren wordt, maar over Jezus die aan Petrus drie keer vraagt of hij Jezus meer liefheeft meer dan de anderen? Hoezo is dat een kerstverhaal en waarom vind jij dit verhaal mooier dan alle andere kerstverhalen?”
    Hij staarde even voor zich uit, kuchte een keer en zei toen: “Het is het mooiste kerstverhaal dat ik ken, omdat het gaat over herboren worden. Weet je, Petrus ontkende tot driemaal toe Jezus te kennen.” Zeker, hij liep daarna huilend naar buiten omdat hij spijt had van wat hij had gezegd, wat hij had gedaan. Maar het was ook meteen een vlucht uit dat huis om zijn eigen hachje te redden. Daarmee liet hij Jezus in de rotzooi achter. Hij liet

     – laat ik het zo maar zeggen – Jezus mooi stikken. Dat is dan je vriend waar je jaren

    lang mee bent opgetrokken. Op het moment dat het moeilijk wordt, dat je ze nodig hebt, weten ze niet meer wie je bent, kennen ze je niet meer. Keren ze je letterlijk de rug toe. Ik had zo graag gehad dat mijn vrienden toen ik in moeilijkheden kwam, mij zouden helpen. Maar ze lieten me -net als Petrus met Jezus deed – stikken. Draaiden mij de rug toe. Je komt er wel overheen zeiden ze. Nou inderdaad, het bleek dat ze gelijk hadden. Ik kwam er overheen, want na een tijdje ging het weer beter met mij. Ja, het ging zelfs weer florissant met me. Natuurlijk, dan zien de mensen je weer staan. Dan weten ze je weer te vinden. Maar diep in mij brandde een vuurtje: de herinnering hoe ze mij in de steek lieten toen ik ze nodig had. Zoiets blijft tussen jou en die mensen staan en blijft de relatie vertroebelen. Het vertrouwen is weg. Het verhaal van Jezus die aan Petrus vraagt, heb je mij lief meer dan de anderen, kende ik van jongs af. Het heeft me jaren gekost om te begrijpen welke stap Jezus daar aan het meer van Galilea naar Petrus zette. Jezus wist wat Petrus had gedaan, dat was hij echt niet vergeten. Hij had Petrus een schop onder z’n kont kunnen geven en zeggen: zoek jij maar een andere baas, jij bent niet te vertrouwen. Maar dat deed Jezus niet. Hij gaf Petrus de kans om tot een nieuwe relatie met Hem te komen. Eigenlijk kun je zeggen, dat daar aan de oever van het meer, Petrus opnieuw werd geboren. Een herboren Petrus, waarop Jezus zijn kerk kon grondvesten.
    Toen ik dit verhaal begreep, snapte ik dat het geen zin heeft om oude relaties in hun vroegere verhoudingen te herstellen. Wil je verder met de mensen van toen, wil je verder met wat ooit jouw vrienden waren, dan moet je ze niet alleen vergiffenis schenken, maar dan moet je een nieuwe relatie met ze aangaan. Dan moet je, net als Petrus daar aan de oever van het meer, zelf herboren worden. Want dat is ook wat Hannah Arendt – ook al was ze atheïst – besefte toen ze kerst vierde in een christelijk gezin: dat met elke nieuwe her-geboorte, de mens in staat is een nieuw begin te maken in woord en daad. Dat heb ik toen ook gedaan. Ik heb hen die mij in de steek lieten, vergiffenis geschonken en ben een nieuwe relatie met hen aangegaan. Dat heeft bevrijdend gewerkt. Het heeft mij innerlijke rust en vrede gegeven. Dat is de reden, dat ik op elke eerste kerstdag het slot van het Johannes evangelie lees. Hij stond op, pakte een bijbeltje van de boekenplank en las. Toen ze gegeten hadden, Sprak Jezus Simon Petrus aan: ‘Simon, zoon van Johannes, heb je Mij lief, meer dan de anderen hier?’ Petrus antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd. ’Hij zei: ‘Weid mijn lammeren.’ Nog eens vroeg hij: Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief?’ Hij antwoordde: ‘Ja, Heer, U weet dat ik van U houd. ’Jezus zei: ‘Hoed mijn schapen,’ en voor de derde maal vroeg Hij hem: ‘Simon zoon van Johannes, houd je van Me?’ Petrus werd verdrietig omdat Hij voor de derde keer vroeg of hij van Hem Hield. Hij zei: ‘Heer, U weet alles, U weet toch dat ik van U houd. ’Jezus zei: ‘Weid mijn schapen.’ Hij zweeg, legde het bijbeltje terug en keek mij ietwat verlegen aan en zei:
    ’Daarom vraag ik je, om deze keer over herboren worden een Opening te schrijven.’
    Toen heb ik hem beloofd, dat ik een Opening zou schrijven over het herboren worden door de Geest; het mooiste kerstverhaal.

    Piet Kort

     

    De belofte
    Genesis 49: 31 Daar zijn Abraham en zijn vrouw Sara begraven, daar zijn Isaak en Rebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven.

    Zorg voor de doden. Het is zo goed als bij alle volken een plicht. Mensen begraven of cremeren hun doden, wat overal gepaard gaat met rituelen. Het is in eerste instantie een familieplicht, direct gericht op het overleden familielid. Daarom hebben massagraven ook een negatieve klank voor ons. Het geeft een gevoel of iemand wordt weggeworpen, als hem zijn laatste eerbewijs wordt onthouden. Daarom geven lijken die onbegraven op een slagveld achterblijven ons een triest gevoel. 

    De zorg voor de dode. Het is een familieplicht. Het is dan ook in verreweg de meeste gevallen de familie die de regie voert in de uitvaart en is gericht op het afscheid nemen en op het overnemen van de verantwoordelijkheden van de overledene, die na zijn overlijden moeten worden afgehandeld. Daarom stopt de zorg ook niet na de begrafenis of crematie, maar loopt door in de tijd wat zich uit in het oprichten van een grafmonument als eerbewijs en het onderhoud hiervan en de afhandeling van de verplichtingen die betrekking hebben op de zaken van de dode en zijn wensen. Zo verlangt Jakob van zijn zonen, dat zij hem begraven bij Lea. Lea, de vrouw met ogen zonder glans, de vrouw van de tweede rang, krijgt hierdoor alsnog de erkenning van Jakob, waarop zij recht had tijdens haar leven. Het geeft haar – zij het postuum – een plaats binnen de gemeenschap.

    We moeten daar niet geringschattend over denken. Want al is zorg voor de dode een familieplicht, heel de gemeenschap speelt hierin een rol. Zo ook de kerkelijke gemeenschap die in de kerkelijke uitvaart afscheid neemt van de overledene. Het kent de dode een plaats toe binnen de gemeenschap waartoe hij behoorde. Daarmee raak ik de discussie die speelt binnen het moderamen. Een discussie die gevoelige punten raakt – kan raken – bij mensen die deel uitmaken van onze gemeente. Was het in vroegere tijden gewoon dat leden van de kerk een kerkelijke uitvaart kregen, tegenwoordig zien we meer en meer dat nabestaanden zelf invulling gaan geven aan de uitvaart. Daar is op zich niks op tegen. Predikanten/pastors vragen mensen vaak naar hun wensen en houden daar tijdens de uitvaartdienst rekening mee. Zo heeft de kerkelijke uitvaart steeds meer een persoonlijke trek gekregen. Dit wordt versterkt doordat veel nabestaanden weinig of niets meer met het geloof hebben – en dus ook niet met de kerk- dan wel omdat het individualisme zich steeds nadrukkelijker doet gelden. In die mate, dat bij sommige uitvaarten de vraag opkomt, of er nog wel sprake is van een kerkelijke uitvaart. 
    Daarom eerst een definitie van wat een kerkelijke uitvaart zou kunnen zijn. Een kerkelijke uitvaart is een ceremonie waarin nabestaanden afscheid nemen van een overledene binnen de geloofsgemeenschap, gebruikmakend van kerkelijke rituelen, gebeden, Bijbellezingen en kerkmuziek. Deze uitvaart vindt meestal plaats in een kerk en wordt veelal geleid door een dominee of pastor, die de overledene aan God aanbeveelt. Het biedt troost en hoop in het geloof, met het idee dat de dood een doorgang is naar het leven in Gods aanwezigheid. 

    Een dergelijke definitie kenmerkt zich dan door een volgende procesgang of varianten hierop van:

    1. Contact met de kerk: De uitvaartondernemer of nabestaanden nemen contact op met de kerk om de beschikbaarheid te verifiëren en de dienst in te plannen. 
      2. Afscheidsdienst: De dienst omvat gebeden, liederen, Bijbellezingen en vaak een toespraak van de voorganger. 
      3. Persoonlijk afscheid: Er is gelegenheid voor familie en vrienden om persoonlijk afscheid te nemen. 
      4. Condoleance: Na de dienst vindt er vaak een bijeenkomst plaats, zoals een koffietafel, waar nabestaanden/bezoekers (elkaar) kunnen condoleren. 
      5. Ter aarde bestelling of crematie: De dienst wordt gevolgd door de begrafenis of crematie. 

    Het proces kenmerkt zich door de te nemen route, maar kwalificeert niet de uitvaart per definitie. Een voorbeeld mag zijn, dat er voorafgaande aan de afscheidsdienst wordt gecondoleerd. Iedereen zal het met mij eens zijn dat er dan nog steeds sprake kan zijn van een kerkelijke uitvaart. Evenzo als er tijdens de dienst een in memoriam wordt uitgesproken door een nabestaande. Wordt echter het contact met de kerk overgeslagen en predikant noch ouderling aanwezig zijn en er tijdens de uitvaart alleen liederen worden gespeeld van Simon en Garfunkel en uitsluitend persoonlijke herinneringen aan de overledene worden opgehaald, dan is het iedereen duidelijk dat er dan geen sprake is van een kerkelijke uitvaart, ook al is de uitvaart vanuit het kerkgebouw en betreft het een lid van de kerk.

    Waarom is het antwoord op de vraag of er sprake is van een kerkelijke uitvaart van belang? Laat duidelijk zijn, dat de beantwoording van die vraag belangrijk is voor ons als kerkenraad, omdat het antwoord onze kerkelijke gemeenschap en daaruit voortvloeiend onze organisatie raakt. 

    Als er geen sprake is van een kerkelijke uitvaart, zijn wij als kerkelijke gemeenschap organisatorisch niet bij die uitvaart betrokken en zullen wij organisatorisch geen actie ondernemen, ook al kan de kerkzaal even als Irene wel voor een persoonlijke uitvaart worden gebruikt.

    Door het toenemende individualisme en de ontkerkelijking, zal de persoonlijker invulling door de nabestaanden alleen maar toenemen. Ik denk dat het daarom goed is dat wij ons bezinnen wat onder een kerkelijke uitvaart wordt verstaan. Want het gaat niet alleen om het gebeuren op het moment. Het gaat ook om de doorlopende lijn in de tijd van het christelijke perspectief: troost door het geloof, te midden van de gemeente, en de belofte van het eeuwige leven bij God.

    Op die gedachte berust ook Gen 49:31. Het geloof van Jakob in de belofte van God, dat ook al sterft hij, het beloofde land zal worden verkregen. 

    Piet Kort

    De Boer en de Slang
    Een Boer liep op een koude winterochtend door zijn veld. Op de grond lag een Slang, stijf en bevroren van de kou. De Boer wist hoe dodelijk de Slang kon zijn, maar toch pakte hij hem op en stopte hem in zijn hemd, tegen zijn borst, om hem weer tot leven te brengen. Thuisgekomen kwam de Slang al snel weer tot leven en voor de Boer de Slang onder zijn hemd weg kon halen, had de Slang alweer genoeg kracht en beet hij de man, die juist zo aardig voor hem was geweest. De beet was dodelijk en de Boer voelde dat hij moest sterven. Nog voor hij zijn laatste adem uitblies, zei hij tegen de mensen die om hem heen stonden: Leer van mijn lot om nooit medelijden te hebben met een schurk.

    Heb nooit medelijden met een schurk! Maar wat is een schurk? Er zijn meerdere definities te geven van wat een schurk is, maar één ervan is, en het is niet direct de meest bekende: een schurk is de tegenstander van het goede.

    Kent u Carl Schmitt?
    Carl Schmitt (1888 – 1985) was Een Duits politiek filosoof en rechtsgeleerde en stond in dienst van de generaal Kurt von Schleicher, de laatste kanselier van de Weimarrepubliek. Carl Schmitt was de mening toegedaan dat te veel vertrouwen in het recht en het liberalisme, het land naar de ondergang voerde. Hij pleitte voor een versterking van de grondwet in autoritaire zin. Hij wilde dan ook grondwetvijandige partijen als de communisten en de nazi’s verbieden. Toen Kurt von Schleicher – voor wie Schmitt werkte- na de machtsovername door Adolf Hitler, werd vermoord om zijn kritiek op het regime, koos Carl Schmitt de kant van het naziregime.

    Je kunt je afvragen hoe Schmitt zo snel van positie kon veranderen en hoe het mogelijk was dat de tegenstander van voorheen (de Nazi’s) zo’n positieverandering accepteerde. Die acceptatie werd veroorzaakt, doordat Schmitt zich direct aansloot bij de NSDAP en zijn filosofie bruikbaar bleek voor de Nazi’s bij het invoeren van de Machtigingswet. Door die wet aan te nemen, zette de Rijksdag (het Parlement) zichzelf buitenspel en kreeg de door de Nationaalsocialisten gedomineerde regering vrij spel, zonder dat nog kon worden ingegrepen door het Parlement. Die Machtigingswet paste goed in de filosofie van Schmitt. Schmitt was tegen de liberale democratie. Samengevat stelde hij, dat ideeën over de Rede, of universele rechten van de mens en de samenhang tussen politiek en recht toevalligheden waren. In het parlementaire stelsel botsen de belangen en wordt het radicalisme aangewakkerd. Daardoor worden de staat en de grondwet ondermijnd. Want politieke tegenstellingen ontstaan door verschillende zijns-wijzen. Dergelijke existentiële conflicten kunnen dan ook niet door rationele discussie worden beslecht; consensus is in principe niet mogelijk. Politiek is dan ook geen parlementaire discussie om te komen tot consensus, maar een gevoelskwestie waarbij het altijd gaat om beslissingen en daden. Daarom is politiek alleen mogelijk als er vijanden zijn; het is altijd wij of zij. Wie de vijand is, is geen gegeven. De vijand moet worden aangewezen als een politieke daad. Het is de politieke leider die de vijand aanwijst; een leider die regeert per decreet (tot zover Carl Schmitt).

    U denkt misschien: ‘Dat mag Schmitt vinden, ik denk er anders over’. Besef echter wel wat de gevolgen waren. Toen de stofwolken van de Tweede Wereldoorlog waren opgetrokken, waren er wereldwijd 60-72 miljoen mensen dood of vermist, waaronder bijna 6 miljoen joden. Als we op dit moment in de wereld rondkijken, dan zien we hoe het gedachtegoed van Carl Schmitt of varianten ervan her en der opbloeien. In de VS is het Trump, die het land bijna per decreet regeert en zich aan het parlement en de rechter weinig laat gelegen. Die door zijn pesterig gedrag vriend en vijand schoffeert en bijna dagelijks nieuwe vijanden benoemd: illegale immigranten, politieke tegenstanders en iedereen die tegen hem durft in te gaan of niet aan zijn wensen tegemoet wil komen. Het ooit zo geroemde democratisch stelsel van de VS, is meer en meer verworden tot een autocratie; een land met een ‘sterke leider’ met een nog nauwelijks functionerend parlement.

    Ook in Europa zien we het rechts radicale gedachtegoed om zich heen grijpen. We zien bij veel mensen de afkeer van de parlementaire politiek groeien en een hunkering naar een sterke leider, die de problemen van het land zal oplossen, maar dan wel bij voorkeur de problemen die men zelf als probleem ervaart. De PVV is hiervan een mooi voorbeeld, met als ‘sterke leider ‘Wilders, zonder tegenspraak van andere partijleden; want die zijn er niet. Nadat Dilan Yesilgöz (VVD) met haar leugen over de vele nareizigers, een kabinetscrisis had veroorzaakt, zette zij de deur open voor de PVV en was de vijand snel gevonden: – de asielzoekers. Om deze vijand te bestrijden, was het aldus de PVV, nodig om per decreet noodwetgeving tot stand te brengen zonder parlementaire bemoeienissen vooraf. Bij het aangaan van de coalitie met de PVV werd door de deelnemende partijen niet of onvoldoende onderkend, dat het de PVV gaat om de beslissing en daden an sich en niet is gericht om binnen het parlementaire stelsel te komen tot consensus. De anderen, wie dan ook, moeten zich maar schikken. Toen Wilders zijn ‘strengste asielwet’ ooit door allerhande wettelijke regels en verdragsbepalingen zag verwateren, veroorzaakte hij dan ook een volgende kabinetscrisis door middel van een soort decreet: het tien punten plan. Zijn eis was, teken het tien punten plan of het kabinet valt. Er werd niet getekend en het kabinet viel. Wilders verklaring was simpel: zij werkten mij tegen.

    In de fabel van de Boer en de Slang, gaat het er niet om, dat de Slang de Boer bijt, maar dat je moet begrijpen dat de tegenstander van het goede – hoe goed je ook voor hem bent geweest – je zal bijten, omdat hij tegen het goede is. Dat roept de vraag op, wat het goede is. Wat het goede is, hangt af van het onderwerp en de positie die wordt ingenomen. Ben je de mening toegedaan, dat tot het goede behoort, een democratisch parlementair stelsel op basis van evenredige vertegenwoordiging, waarbinnen partijen gericht zijn op goed bestuur en het tot stand brengen van consensus tussen de partijen, waarbij rekening wordt gehouden met minderheden, dan mag duidelijk zijn dat de filosofie van Carl Schmitt zeker niet tot het goede behoort. Maar het gif van zijn filosofie – ook al is hij al jaren dood- druppelt tot op de dag van vandaag door in de mening van diverse partijen en groepen. 

    Op 29 oktober kan Nederland weer z’n stem uitbrengen. Ook wij worden opgeroepen dit te doen. We kunnen thuisblijven en ons afwenden van de politiek door niet te gaan stemmen. We kunnen natuurlijk ook gaan stemmen op basis van hoe we denken over asielzoekers, stikstofproblematiek, andere onderbuikgevoelens of stemmen op een partij die streeft naar zoveel mogelijk macht om vooruitgang op onderdelen te blokkeren of te frustreren. Maar misschien zouden we beter eerst kunnen bepalen welke partijen gericht zijn op het goede. Partijen die streven naar goed bestuur en gericht zijn op het tot stand brengen van consensus binnen ons parlementaire stelsel. Want dat kan voorkomen dat we op een dag ontdekken, dat we gebeten worden door een Slang, omdat we de tegenstander van het goede niet of te laat hebben onderkend.

    Piet Kort

    Een zomers dansje wagen?

    Dans mee met Vader, Zoon en Geest

    kom binnen in hun kring

    In de kerkelijke kalender worden de zondagen van de zomer soms geteld als ‘zoveelste zondag na Pinksteren’, het laatste hoge feest tot aan Advent. Met de uitstorting van de Heilige Geest is Gods zelfopenbaring aan de mensen als het ware ‘rond’: Vader, Zoon en Heilige Geest – één enig God in drie ‘gedaanten’ die heel zijn kracht en wezen richt op de redding van ons mensen. Daarom viert de kerk op de eerste zondag na Pinksteren het feest van de Drie-eenheid: zondag Trinitatis.

     

    Het bijzondere van deze zondag is dat ze balanceert tussen dogma en lofzang. In de geschiedenis van de kerk hebben heel wat mensen zich gestoten aan het dogma van de Drie-eenheid: “Hoe kan dat nou: één God, die tegelijk Vader, Zoon en Heilige Geest is – maar deze drie zijn tegelijk niet hetzelfde?” De verschillende visies op de Drie-eenheid hebben zelfs kerkscheuringen opgeleverd. Zo gelooft de Oosters Orthodoxe Kerk dat de Geest alleen uitgaat van de Vader, en niet van de Vader én de Zoon, zoals wij in de Westerse Kerk belijden.

     

    Wat in het dogma niet lukt – de Drie-eenheid op één, heldere noemer brengen – blijkt in de lofzang wel te gaan. Een van de mooiste voorbeelden daarvan is Lied 706: Dans mee met Vader, Zoon en Geest. Daar worden Vader, Zoon en Geest ons getoond in een wervelende kringdans die heel de eeuwigheid en de schepping omvat. Wij die dit lied horen en zingen, worden uitgenodigd om in de kring van deze Drie te komen en ons te laten leiden door de liefde en de hoop. Dat houdt onuitgesproken in dat die stap in de kring een daad van geloof is.

     

    Wie in de kring van Vader, Zoon en Geest de dansvloer van het gelovige leven op stapt, ontkomt aan de wurggreep van de dood. Om je, naast je, in je werkt de kracht die hemel en aarde gemaakt heeft, die trouw blijft tot in eeuwigheid en die niet loslaat wie zijn hand heeft gegrepen. God zelf kijkt je aan: een kind in Bethlehem, een mens tot bloedens toe gekroond. Hij is de ‘Lord of the Dance’, de Heer van de dans (Lied 839). Al dansend met Hem vallen de lasten van onze schouders en verdwijnt de vermoeidheid uit ons bestaan: Kom allen tot Mij!

     

    Het mooie van dit beeld vind ik dat het geen beschrijving is, maar een uitnodiging. Meer nog: een blije en opgewekte oproep om mee te doen. Hoe ‘serieus’ bepaalde dansen soms ook kunnen zijn, altijd zweeft er iets lichtvoetigs in mee; iets dat je dwingt om los te komen van de zwaarte van de grond. Zelfs wie op klompen danst, komt los van de zware klei en moet gaan huppelen. Het blok aan je been kan uiteindelijk niet anders dan een vrolijk klepperend instrument worden in onze levensdans met God. Het loopt in Bijbels perspectief dan ook niet voor niets uit op het Grote Bruiloftsfeest. Daar wordt niet alleen goed gegeten en gedronken, maar ook vrolijk gedanst!

     

    Er wordt in de Bijbel heel wat meer gedanst dan bij ons in de kerk. In het Liedboek trouwens ook. Wij nuchtere Groningers staan blijkbaar liever nog even aan de kant om de kat uit de boom te kijken. Maar de muziek speelt en God zelf – Vader, Zoon en Heilige Geest – zingt je toe in alle toonaarden:

     

    De dans leek te breken, maar Ik deelde het brood,

    Ik danste uit liefde veel sterker dan de dood.

    Die liefde leeft in je nu Ik dans met jou,

    de dans van de schepping, de dans van trouw.

     

    Dans, dans, en doe maar mee met mij.

    Ik ben de heer van de dans, zegt Hij.

    Ik ga je voor, Ik haal ook jou erbij

    want Ik ben de heer van de dans, zegt Hij.


    Johan van den Berg

     

    Zout

    Koning Christoph wil zijn troon afstaan aan één van zijn drie dochters; zij die aan hem de mooiste liefdesverklaring aflegt, krijgt de troon. De oudste dochter – verslaafd aan het kopen van juwelen – vertelt dat ze haar vader meer liefheeft dan alle juwelen die zij bezit. Christoph is in de wolken; wat toont zij veel liefde!

    De tweede dochter – verslaafd aan het kopen van kleren en schoenen- vertelt dat ze haar vader meer liefheeft dan alle kleren en schoenen die ze bezit. Christoph weet niet te kiezen tussen beide verklaringen die zoveel liefde tonen. Het ontroert hem.

    Dan komt Amélie, zijn jongste dochter. Zij vertelt hem dat hij voor haar is als een zoutkristal. Want wat is er belangrijker dan zout, wat is er mooier dan een kristal?
    Christoph is geschokt en beledigd. Zout? Wat stelt zout nu voor? Woedend verbant de koning zijn dochter Amélie – de naam betekent: de werkzame- uit het paleis en uit zijn rijk. Maar met de verbanning van Amélie, verdwijnt ook al het zout en de heilzame werking van het zout uit het land van Koning Christoph. Langzaam maar zeker sterft alles wat leeft in zijn Koninkrijk.

     

    In Matteüs 5: 13 staat: ‘Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout zijn smaak verliest, hoe kan het dan weer zout worden gemaakt? Het dient nergens meer voor, het wordt weggegooid en vertrapt’.

    We denken er vaak niet bij na, maar een mens kan niet zonder zout. Je hebt zout nodig om in leven te blijven. Mooie juwelen zijn prachtig, het bezit van veel kleren en schoenen is misschien fijn, maar zonder zout gaat een mens dood, gaat al het leven in deze wereld teloor. In vroegere tijden en ook nu nog in arme streken op deze wereld, is zout het middel bij uitstek om voedsel te conserveren. Jezus haakt hier symbolisch op in. Hij draagt christenen op – dus ook ons – om het zout der wereld te zijn. De wereld te behoeden tegen goddeloosheid, moreel bederf, chaos en het komende oordeel wat daarin besloten ligt. Zout is niet zomaar een greep uit de lucht van Jezus. Hij grijpt terug op Leviticus 2: 13 waar staat: ‘Aan elk graanoffer moet zout worden toegevoegd: het zout, als teken voor het verbond met jullie God, mag bij het graanoffer niet ontbreken.’

    Zout als teken voor het verbond tussen God en mensen. Maar ook als bekrachtiging van dit verbond. Want in Numeri 18:19slot staat: ‘Voor de HEER geldt dit als een eeuwigdurend, met zout bekrachtigd verbond met jou en je nakomelingen. ‘
    Zout maakt het verbond tussen God en mensen alsnog geldig; zout als waarmerk.

    Zo is zout een basisbehoefte voor al het leven op aarde, maar is zout ook een conserveringsmiddel en wordt zout het teken en het waarmerk van het verbond tussen God en mensen. Want de smaak van zout doortrekt alles. Zout als smaakversterker bij uitstek.

    Als Jezus ons benoemt tot het zout van de aarde, dan betekent dit, dat wij om de samenleving op aarde mogelijk te maken – net als zout alles doortrekt – de samenleving moeten doortrekken met Gods boodschap van liefde.

    Daardoor worden wij Gods smaakversterker en conserveringsmiddel bij uitstek en worden wij ook meteen het teken in de wereld van het verbond tussen God en mensen en zijn wij de bekrachtiging van dit verbond.
    Daarom zegt Paulus in de Romeinenbrief hoofdstuk 12: ‘Broeders en zusters, met een beroep op Gods barmhartigheid vraag ik u om uzelf als een levend, heilig en God welgevallig offer in zijn dienst te stellen. Dat is de ware eredienst die van u wordt gevraagd.  U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar u veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’

    Laten we dat dan doen wat Paulus vraagt, want zo maken we het leven op aarde mogelijk, conserveren wij het leven en bekrachtigen wij iedere dag weer Gods verbond met de mensen.

    Piet Kort
     

     

    Toen sprak God deze woorden: Pleeg geen moord. (Ex 20:1 en 13)

     Jullie hebben gehoord dat destijds tegen het volk is gezegd: “Pleeg geen moord. Wie moordt, zal zich moeten verantwoorden voor het gerecht.” Dit zeg Ik zelfs: ieder die in woede tegen zijn broeder of zuster tekeergaat, zal zich moeten verantwoorden het gerecht. Wie hen “Nietsnut” zegt, zal zich moeten verantwoorden voor het Sanhedrin. Wie “Dwaas!” zegt, zal voor het vuur van de Gehenna komen te staan. (Mat 5: 21 en 22)

    Beide teksten gebieden ‘Pleeg geen moord’, maar als je de beide teksten leest, komt bij velen de vraag op, gaat dit wel over hetzelfde onderwerp? En zo ja, hoe verhouden deze teksten zich tot elkaar?

    Het probleem ontstaat door de manier waarop we naar de 10 geboden kijken. Wij zien de 10 geboden letterlijk als 10 wetsartikelen. Wetsartikelen die je moet doen, zoals je moet stoppen voor het rode licht. Door rood rijden is verboden. Zo bekeken is het is dus een kwestie van doen of niet-doen en staat de handeling centraal. (Immers niet doen is ook een handeling.) Maar een dergelijke benadering doet de Thora tekort. Jezus zegt in

    Matteüs 5: 17 ‘Ik ben niet gekomen om de geboden af te schaffen, maar om ze tot vervulling te brengen’, wat er op duidt, dat de Thora een zoekende beweging in het handelen is. Het gaat dan niet om blinde discipline, om letterlijke gehoorzaamheid, maar hoe de extrinsieke motivatie (het gebod) zich verhoudt tot de intrinsieke motivatie (hoe individueel te handelen). We zullen, willen we ons aan de 10 geboden houden, moeten ontdekken, dat de 10 geboden – met als basis de liefde tot God en de naaste – een medaille is, met twee kanten. Aan de ene kant het letterlijke gebod en aan de andere kant: hoe ga ik het letterlijke gebod, gezien de basis, vormgeven in mijn leven (in mijn handelen).


    Ik heb al eens in een eerdere overdenking gezegd, dat God van ons vraagt, dat wij de ander – dichtbij of ver weg – het leven mogelijk moeten maken zodat ook hij zinvol kan leven. Belangrijk is dan de intrinsieke motivatie: hoe kan dit door mij vorm worden geven?
    Dat is een voortdurend proces in een mensenleven. Een zoektocht naar het juiste handelen. Een zoektocht hoe inhoud te geven aan het extrinsieke gebod op basis van de liefde tot God en de naaste. Dit kan betekenen, dat in de loop van het leven, de invulling van het gebod verandert omdat de intrinsieke motivatie zich in de loop van de tijd verder heeft ontwikkeld. Dat in de loop van de tijd wordt ingezien, dat het toch anders moet, dan het indertijd is gegaan. Dat wil niet zeggen, dat de naleving van het extrinsieke gebod toentertijd per definitie fout is geweest, maar wel dat de naleving ervan verandert door de ontwikkeling van de intrinsieke motivatie.  Dit voorkomt wetticisme. Want een wetticistische benadering zorgt ervoor dat de basis waarop de Thora rust– de liefde – verloren gaat en verstarring optreedt.
    De tekst van Exodus 20: 13 – pleeg geen moord – en vervolgens de invulling ervan door Jezus in Matteüs 5 de verzen 21 en 22, laat ons zien hoe het extrinsieke gebod uitwerkt door de intrinsieke motivatie die er door Jezus wordt ingelegd. Het gaat er niet om of ik iemand een doodklap geef of niet. Het gaat erom hoe liefdevol ik met mijn naaste om ga. Of ik de ander – dichtbij of ver weg – het leven mogelijk maak zodat ook hij zinvol kan leven en tot zijn bestemming kan komen.
     

    We moeten ons realiseren dat hier het probleem ligt van de jongeman in Matteüs 19, die aan Jezus de vraag stelt: ‘Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwige leven te verwerven?’ Jezus antwoord is helder: Als u het leven wilt binnengaan, houd u dan aan zijn (Gods) geboden. Pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, toon eerbied voor uw vader en moeder, en ook: heb uw naaste lief als uzelf.’
    Het antwoord van de jongeman is helder: ‘Daar houd ik me aan. Wat kan ik nog meer doen?’ Wat kan ik nog meer doen? Zijn er nog meer geboden? Hij kan zich ook daaraan houden. Noem ze maar!  Dat doet Jezus niet, maar zegt: ‘Als u volmaakt wilt zijn, ga dan naar huis, verkoop alles wat u bezit en geef de opbrengst aan de armen; dan zult u een schat in de hemel bezitten. Kom daarna terug en volg Mij.’ 

    Hier ontmoeten we een jongeman, opzoek naar extrinsieke geboden, die vastloopt op Jezus antwoord. Wat Jezus verlangt, is niet dat iemand al zijn bezit moet verkopen in blinde gehoorzaamheid aan een gebod. Wat Jezus wel verlangt, is dat wij onze intrinsieke motivatie verder vormen binnen de morele ruimte van de Thora waarin wij acteren; kom en volg mij!
    Dat hoeven we als individu niet alleen te doen. Sterker nog, dat kunnen we niet alleen doen. Daar hebben wij elkaar bij nodig. Want religie is een groepsgebeuren, waardoor wij in staat zijn te bereiken wat we alleen niet kunnen bereiken. Als wij zo leven, wordt het leven dynamisch, vol beweging en trekken wij op in de voetsporen van Jezus. Dan zijn wij wat in Handelingen 9 wordt genoemd: Aanhangers van de weg.          


    Piet Kort

    Schiep God hemel en aarde?

    In het begin schiep God de hemel en de aarde. Gen 1:1
    Nu werden hun ogen geopend en herkenden ze hem. Lucas 24:  31a

    Schiep God hemel en aarde? Dat is best een moeilijke vraag om te beantwoorden. Natuurlijk, we kunnen geloven dat God de hemel en de aarde schiep, maar zeker weten? Er was niemand bij. Niemand nam foto’s of maakte een film. Dus hoezo zijn hemel en aarde geschapen door God? Als verklaring voor het ontstaan van de aarde doet de theorie van de Big Bang het wetenschappelijk beter dan Genesis 1.
    En toch… God heeft de wereld geschapen.
    Daarom het volgende verhaal. Op onze reizen stuitten Anna en ik vaak op het koffer-probleem. Het koffer-probleem is dat onze koffer qua kleur (zwart) en qua vorm nogal standaard is. Als je de koffer van de bagageband op het vliegveld wilt halen, passeren er om de haverklap zwarte standaard koffers waarvan je denkt ‘dat is er  ééntje van ons’ terwijl als je hem half van de band hebt ziet,  dat het er niet ééntje van  ons is. Daarom kocht ik op één van onze reizen een poppetje – een eenhoorn- en maakt hem vast aan mijn koffer. Mooi helder van kleur en je zag hem van verre. Zo ook kleindochter na onze terugkeer in Nederland. Ze wilde weten hoe ik aan de eenhoorn kwam en waarom die aan mijn koffer hing. Een paar maanden later bezochten we hen weer. Tijdens het koffiedrinken zaten we wat te kletsen, waarbij uiteindelijk het onderwerp ‘eenhoorn’ ter sprake kwam. Zoon merkte lachend op, dat het maar gelukkig was, dat er geen eenhoorns bestonden. Kleindochter, die geacht werd niet te luisteren, veerde verontwaardigd op met de woorden: “Eenhoorns bestaan wel, want aan opa’s koffer hangt een eenhoorn.”

    Bestaan eenhoorns? Hoe kan het dat de één eenhoorns weg lacht en de ander zeker weet dat ze bestaan?  Je kan zeggen, door de leeftijd. Zoon is volwassen, kleindochter niet. Kleindochter denkt nog magisch, zoon denkt zoals wij gewend zijn om te denken en waar te nemen: objectief. Dat doen we sinds de filosoof Kant ons dat heeft geleerd. Dat wat echt is kun je meten en wegen. Wat je niet kunt meten en wegen – eenhoorns bijvoorbeeld- bestaat niet, of beter gezegd: daar over kunnen we niets zinnigs zeggen.
    Met die opvatting heeft de wetenschap grote vooruitgang kunnen boeken. Maar nu we op het einde zijn gekomen van de periode die we Verlichting noemen, realiseren we ons meer en meer, dat er heel veel dingen en zaken zijn die we niet kunnen meten en wegen. Want wat is bijvoorbeeld ‘Het Recht’, wat is ‘Gerechtigheid’, wat is geluk en hoeveel verdriet kan een mens in zijn leven verdragen? Wat is – om nog maar eens wat te noemen – geloof?


    Bestaan dergelijke zaken niet omdat we ze niet kunnen meten en wegen?
    Meer en meer dringt het door, dat wat de wetenschap een feit noemt, niets anders is dan een subjectieve acceptatie van de afgesproken regel.  Één plus één is nu eenmaal  twee, niet omdat het zo is, maar omdat we de afspraak hebben gemaakt dat het zo is. Één meter is nu eenmaal één meter, niet omdat het zo is, maar omdat we afgesproken hebben dat het zo is. Wat een paar jaar geleden nog als vaststaand feit werd geaccepteerd, wordt door Trump, Poetin en Wilders en velen met hen,  genegeerd of afgedaan als onzin. Dat maakt ons onrustig, want hebben we dan altijd verkeerd tegen de wereld aangekeken?

    Nee, zegt de Bijbel en met de Bijbel ook steeds meer wetenschappers. Mensen – subjecten dus – zien de wereld, zoals die aan hen verschijnt. Daarom verschillen de  wereldbeelden onderling. Daarom bestaat dat wat wij  ‘De wereld’ noemen, dan ook niet. Want ieder mens ziet de wereld anders, ieder ziet op zijn eigen manier de wereld, zoals de wereld voor hem of haar voelt en ruikt, zoals hij of zij de wereld ervaart en inkleurt, hoe hij of zij de wereld tegemoet treedt. Daarom weet kleindochter zeker dat eenhoorns bestaan, weet ik dat mijn vrouw van mij houdt, hebben anderen engelen gezien of hebben sommigen toen ze van Jeruzalem naar Emaüs liepen, Jezus niet eerder herkend dan op het moment dat hij het brood brak.

    Terug naar de vraag: Schiep God hemel en aarde?
    Dat is best een moeilijke vraag om zo in het algemeen te beantwoorden. Want als je het voorgaande goed hebt begrepen, dan begrijp je, dat het antwoord op die vraag ervan afhangt, hoe de wereld aan jou verschijnt. Verschijnt de wereld aan je, in het geloof dat  God daadwerkelijk handelt in tijd en eeuwigheid, dan is het antwoord op die vraag: ja,  God schiep hemel en aarde, ook al wordt ’De Big Bang theorie’ door de wetenschap van A tot Z bewezen. Dan kunnen jij en ik met de Apostolische geloofsbelijdenis zeggen:
    Ik geloof in God de Vader, Schepper van hemel en aarde.

    Piet Kort