• Agenda:

    Zondag 16 december 2018
    9.30 uur, Irenekerk
    Voorganger: ds. G. Knol
    Vooraf koffiedrinken + Viering Heilig Avondmaal

     

     

  • Tegen de leegloop

    Waar je ook komt, je hoort bijna overal mensen verzuchten dat het kerkbezoek minder wordt. Dat het zo moeilijk is om ambtsdragers te vinden. Dat het bij mensen porren voor activiteiten ‘trekken aan een dood paard’ is.

    Dat is allemaal verdriet om een kerk die bezig is voorbij te gaan. Ik deel dit verdriet, omdat ik ook stam uit de kerk van mijn jeugd. Een kerk waarmee ik trouwens helemaal niet zo blij was. Mensen, die mij kenden uit mijn jeugd, vertelden dat ik altijd zat te zuchten in de kerk. Dat ik als gereformeerd jongetje naar de hervormde zondagschool mocht, was voor mij een ware verlossing.

    Toen ik van Cornelis Rijnsdorp – één van de weinige echt litteraire schrijvers uit de gereformeerde kerk – Koningskinderen uit 1931 las, vielen mij de schellen van de ogen. “Was het werkelijk zó zwaar, dat gereformeerde geloof?!” Het boek gaat over een liefde tussen een man en een vrouw, maar het gaat in wezen alleen maar over geloof en God. Het leek wel alsof dit voor deze twee mensen tussen hen in stond. En zo heb ik het ook vaak ervaren, dat God tussen mij en het leven in stond. Vreemd, waarom was dat zo?

    Het is mij met dit soort vragen precies zo te moede als met de kwestie rondom priesters en seksueel misbruik: je valt erover, spreekt er schande van, maar het is belangrijker om ernaar te kijken en te zoeken naar de angel van het verhaal. En daar geeft de kerk meestal niet thuis, omdat het probleem geen bijzaak is, maar huist in het hart van het instituut.

    Simpelweg: mensen keren de kerk en het geloof – dat is trouwens niet hetzelfde – de rug toe, omdat het hen niets meer zegt. Het verband tussen geloof en (hun) leven is hen vaak niet meer duidelijk. Daar komt bij dat huidige generaties wel de problemen van het bestaan zien en ervaren, maar dat zij over het algemeen zichzelf toestaan om van het leven te genieten. Wij genieten, waar men vroeger veel korzeliger tegenover het leven en de wereld stond. Het ware leven was elders (bij God, in de hemel).

    Natuurlijk moet je over deze zaken veel meer zeggen en preciezer zijn, maar daarvoor is hier geen ruimte. Volgens mij steekt de zaak ongeveer zo in elkaar: sommige gelovigen keren zich in deze tijd tot een radicaler en blijer manier van geloven en kerk-zijn, anderen zijn vooral hun geloof aan het verwerken (ja, zoals het vroeger was, was het ook wel eens té) en zeer velen keren zich af, want zij hebben het ermee gehad.

    Wat ik in het hele verhaal mis is de noodzakelijke herijking van geloof en geloofsgemeenschap. Huidige generaties communiceren anders en een preek, bijvoorbeeld, spreekt hen als communicatievorm minder aan. Het leven is erg versplinterd en huidige generaties verlangen enerzijds naar ontspanning en rust (‘effe niks’) en anderzijds naar vermaak en aangename uitdagingen. Wij onderschatten ook dat het moderne gezin ook onder spanning staat. Hoeveel rust, aandacht en samenzijn is daar? Een ander groot gegeven is dat er in de huidige wereld slechts een kleine plaats is ingeruimd voor geloof en gemeenschap. Wie ‘de mens’ wil treffen, zal op zoek moeten gaan naar het individu dat zich laat aanspreken. Wie is dat? (Wie is mijn mede-mens?) Veel communicatie is één op één. Wij zijn allemaal individuen geworden. En zo kan ik wel even doorgaan.

    Ik kom veel verslagenheid tegen onder het kerkvolk. “Waar doe je het voor?” Nou, voor al die mensen die wel komen en deelnemen. En laten we niet denken dat het er nu slechter voor staat dan een eeuw geleden. Dat is alleen een kwestie van data en statistieken. De vraag van God aan ons is nog steeds: “Adam, waar ben je?” De wereld is veranderd, de mensen zijn veranderd (alhoewel ….) – alles is misschien ingrijpend veranderd, maar je kunt nog steeds op God vertrouwen en jouw leven wijden aan God.

    In de oude bedeling betekende ‘je leven wijden aan God’ dat je afzag van de wereld en de wereldse geneugten. Wie heeft dat toch ooit bedacht? Wij zijn verbonden met onze wereld met huid en haar. Het is het licht van God dat erover straalt en haar ware aard laat zien. Wie somber naar de wereld kijkt ziet een duistere wereld. Wie met liefde naar de wereld kijkt, ziet heel veel mooie dingen. Ik doe beide, want ik wil niet naïef zijn. Maar ik moet erkennen dat een sombere blik de wereld NIET verlost. Een liefdevolle blik wél. En DAT is de taak van gelovigen: liefdevol naar de wereld kijken en doen wat je kunt. Geloof in God maakt alles volledig anders. Hoe kunnen wij daarover met elkaar in gesprek raken, een GOED gesprek hebben?

    Natuurlijk kunnen wij naar een klein kind kijken en vertederd raken. Een grotere uitdaging is het om te kijken naar bijvoorbeeld seksueel misbruik in de kerk. Wat eist de liefde daar? Wij denken vaak te soft over de liefde. Liefde betekent ook: alles onder ogen zien wat je niet wilt zien. En ter sprake brengen wat mensen liever niet willen horen. Juist OMDAT God realiteit is. God opent ons bewustzijn voor de hele werkelijkheid en het hele verhaal. Hoe pijnlijk dat ook is of kan zijn – DAT verlost. Een kerk die zo durft te zijn, is een krachtige kerk. Een geloof dat dit aandurft is een krachtig geloof.

    Gerard Knol

    Vakantie (bijna) voorbij

    En dan weer aan het werk …
    Sommigen valt het zwaar, anderen verlangen misschien ook al wel weer naar het ‘gewone leventje’.

    Het valt mij op dat de verschillen tussen vrij zijn en aan het werk zijn voor mij de laatste jaren veel minder groot zijn.
    Onlangs begon mijn zoon, na zíjn vakantie, erover dat hij zich afvroeg of zijn huidige baan het nu wel voor hem was … Herkenbare geluiden van de tijd dat ik zijn leeftijd had. Toen ik vanmorgen (20 aug) naar Bierum reed, hoorde ik op radio een coach spreken over goede voornemens met betrekking tot werk en agenda. Het is dus kennelijk een groot thema.

    Als je vrij bent, fantaseer of denk je over manieren om dat vrij zijn vast te houden tijdens het alledaagse leven van verplichtingen en agenda. Volgens de coach gaat het om de verhouding werk en vrije tijd, bevrediging in wat je doet, relaties en werk, verhoudingen met collega’s enzovoort.

    Er is een dimensie die niet aan de orde komt: innerlijke vrijheid en de daarbij passende vervulling. Ik ontdek steeds meer dat de zaken van deze wereld alleen tot op zekere hoogte die vrijheid en vervulling teweeg kunnen brengen. Mijn persoonlijke besef van vrijheid en vervulling zijn toegenomen door het besef dat God realiteit is en dat dit bestaan kleiner is dan het bestaan vanuit God gezien. Denk nu alstublieft niet meteen dat ‘de zaken van deze wereld’ dus minder waard zijn! Zo zwart-wit is het niet.

    Waar het, denk ik, om gaat is dat dit bestaan zich lichter laat leven, wanneer het belicht wordt vanuit de realiteit van God. Onze wereld staat bol van zaken die er werkelijk nauwelijks toe doen. En andersom: aan wat belangrijk is, vanuit de realiteit van God gezien, wordt voorbij geleefd.

    Eén voorbeeldje: wij streven geluk na en succes, maar geluk en succes zijn slechts bijwerkingen van zinvol bezig zijn en van het besef dat ons leven zin heeft. Iemand die zich op een podium voor tienduizend mensen uitleeft, lijkt gelukkiger en succesvoller dan iemand die hulpbehoevende mensen verzorgt, maar is dat werkelijk zo?

    Ik herinner me een fragment waarin Jezus vraagt aan ons: wat heb je gedaan voor de minste van mijn broeders/zusters? In deze vraag schuilt niet alleen: wie heb je geholpen? Maar ook: waaraan ontleen jij de zin van jouw leven? Veel mensen snakken naar roem, geld, aanzien, macht enzovoort. Het zijn werkelijk afleggertjes van wederzijdse erkenning, contact en zinvol bezig zijn.

    Ook in de kerk maken wij ons heel vaak druk om bijzaken die hoofdzaken zijn geworden. Eén klein voorbeeldje: het voorbereiden van een startzondag. Het kan een zinvolle bezigheid zijn, maar het kan ook een bezigheid zijn die enkel draait om ‘een leuk moment in de kerk’. Een kerkdienst is erop gericht om mensen met God en met elkaar ECHT in contact te brengen. Dat kan en mag gezellig en leuk zijn, maar laten we vooral onderstrepen dat het gaat om zaken van LEVENSBELANG.

    Het ritme van het alledaagse leven is gericht op veel, snel en oppervlakkig. Het ritme van God is gericht op één ding, langzaam en diepgaand. Het ene dat alles kleurt en van energie voorziet: liefdevol leven.

    Gerard Knol

    Wij leven van de wind

    Met Pasen hebben wij gezongen: want nu de Heer is opgestaan, nu vangt het nieuwe leven aan.

    Nu Pinksteren net twee dagen achter ons ligt – op het moment dat ik dit stukje schrijft – verplichten wij ons tot een leven uit Zijn Geest.
    Romeinen 8,2: De wet van de Geest die in Christus Jezus leven brengt, heeft u bevrijd van de wet van de zonde en de dood. En dat betekent: niet langer beheerst worden door onze eigen natuur en bepaald worden door zonde en dood, maar door leven en vrede.

    Er is sprake van een geleid worden door de Geest van God, maar dat kan niet zonder een eigen keuze van onze kant. Wij kunnen ons daarvoor afsluiten. Dat is zelfs zeer gemakkelijk. Overgaan tot de orde van de dag betekent je afsluiten voor de Geest van God.

    Je openen voor God is vaak een hobby van serieuze gelovigen geworden. Een vrome aangelegenheid. Het koersen op de Geest is een specialiteit van opwekkingsbewegingen geworden. En zo is er een aantal vakjes gecreëerd waardoor wij de levende realiteit van God buiten de deur houden. Daarvoor hoef je geen ongelovige te zijn.
    Ook onder gelovigen is er geregeld weinig voorstelling van een levendige Geest. Je vindt dit bijvoorbeeld ook terug in een geloof dat sterk op dogma’s is gebaseerd. En op vormen van geloof die sterk op gewoonten zijn gebaseerd.

    Iemand zei eens dat geloven het huldigen van een relatie met God is. En geen set van waarden, normen en opvattingen is. Daar zit iets in.
    Het is allereerst een relatie en daaruit vloeien normen, waarden, opvattingen en praktijken voort. De levendigheid van de relatie maakt die normen, waarden, opvattingen en praktijken op hun beurt ook weer levendig en flexibel.

    De zekerheid van het geloof is haar dynamiek, niet haar stelligheid en haar eenvormigheid: zo zijn wij, zo doen en denken wij en daarin onderscheiden wij ons van andere mensen die anders doen en denken.

    Echt geloof en echte menselijkheid liggen vaak voorbij onze gewoonten en opvattingen, onze zekerheden en stelligheden. De Geest van God leidt altijd tot ontmoeting voorbij alles wat tastbaar, zeker en duidelijk is. Geen vrome praatjes en gedoetjes, maar echte openheid voor wat nieuw en onbekend is.

    Tijdens de periode na Pinksteren oefenen wij daarmee in het spoor van Jezus, die ons is voorgegaan op deze weg en die deze weg voor ons heeft geopend. Ik wens u, wij wensen elkaar: goed navolging!

    Gerard Knol

    Liefde … wat is daar zo moeilijk aan?

    Sommige mensen vinden dat wij in een tijd leven waarin alles zo openlijk en onbeschaamd ter sprake komt. Alsof alles maar op straat gegooid kan worden.

    Daar zit wel iets in.

    Maar … hoe praat je dan (en waar en met wie) over zaken die ons allemaal bezig houden en die gevoelig liggen? Zo gevoelig dat we er liever NIET over praten (en dat dan dus ook NIET doen), totdat het te laat is en wij ertoe gedwongen worden om erover te praten. En soms vraag je je ook af: als we er nu eerder over hadden kúnnen praten, was het dan niet beter gegaan en, wellicht, toch nog goed afgelopen?

    Liefde is zo’n ‘onderwerp’ en wij hebben geprobeerd om er afgelopen zondag 22 april over te praten in de dienst en om de liefde te vieren. Spreken over liefde betekent dat wij allemaal aan de bak moeten, want we hebben er allemaal mee te maken. Ook met de tekorten. Ons onvermogen om liefde te leven. Een kernachtige uitspraak van Marianne Williamson: “Al het menselijk gedrag is terug te brengen tot twee dingen: het wordt gedaan uit liefde of het wordt gedaan uit gebrek aan liefde.” Heel nuchter. Heel waar. Pijnlijk waar soms.

    Het gemakkelijkst is te communiceren dat in het hart van de zaak een aantal dingen belangrijk zijn, zoals respect, trouw, zorg enzovoort. Er zijn zoveel dingen te noemen die liefde verkleinen tot cliché, terwijl zij dat niet is en ook de dingen die wij durven noemen in het openbaar zijn dat wezenlijk niet. Hoe kunnen wij het deksel van het vat krijgen zonder onze ziel ‘op straat’ te gooien? Ook zonder dat jouw verhaal wordt bekogeld met beschuldigingen, hoon en oordeel. Is niet alles in ons leven ‘eigen schuld’ (een falende levensverbintenis)?

    Maakt dat de zaken juist niet nóg meer onbespreekbaar?

    Wij hebben ook de westerse cultuur niet mee: er wordt vaak romantisch-sentimenteel over liefde gedaan én de intieme zaken worden in de media tot voyeurisme en platvloersheid. (Voyeurisme is, zeg maar, gluren bij de buren, zien wat je eigenlijk niet hoort te zien, meestal vanuit een bepaald niet zuivere nieuwsgierigheid.) De ruimte waarin een en ander aan de orde wordt gesteld klopt niet. De golflengte van taal en gesprek klopt niet. Alles komt in zo’n cru daglicht te staan.

    Na deze overdenking volgen twee bewerkingen van het bekende hoofdstuk 13 uit de eerste brief van Paulus aan de gemeente te Korinthe. Maar voordat wij overgaan tot het medicijn, willen wij nog iets verder dan tijdens de dienst mogelijk was, ingaan op een paar kanten van het verhaal die laten zien ‘wat er zo moeilijk is aan de liefde’. Menigeen die in de dienst aanwezig was, weet daarvan op zijn of haar eigen manier.

    Iemand droeg aan dat een van de problemen rondom de liefde het gebrek aan regels was. Dat is een bijzondere waarneming. In liefde en oorlog zijn geen regels (Engels: All is fair in love and war). Met andere woorden: er raken misschien meer mensen beschadigd door onze liefdespraktijken dan dat erdoor genezen worden … Hoe kan dat? Het is niet onze bedoeling. Ik heb de Amerikaanse psycholoog en onderzoeker Harry Harlow in de dienst aangehaald. Hij toonde aan met zijn onderzoek op resusaapjes hoe belangrijk ouderlijke liefde is. De afwezigheid ervan levert onherstelbare schade op. Misschien is het ook wel daarom dat de liefde van God de Vader in onze geloofsbeleving zo cruciaal is. En in het spoor daarvan: dat Zijn liefde tot de Zoon hem door de pijn van het leven en de dood heentrekt. Zijn Vaderlijke liefde is de kracht die hem redt van de dood. Wij vinden de troost in God die wij hier op aarde niet kunnen vinden, bij gebrek aan liefde …

    Als je jong bent, leer je de liefde kennen en waarderen zoals die tot je komt. Je hebt er geen enkele macht over, terwijl je er tegelijk zo weerloos afhankelijk van bent. Je bent die zuigeling op de arm van jouw moeder en vader. Er is de nabijheid van de borst die je voedt. Het lijkt allemaal zo ontroerend normaal en gewoon, totdat je ontdekt dat het dat helemaal niet is. En zo ontwikkel je je van de ene levensfase in de andere. Als er genoeg liefde is, is er niet zoveel aan de hand. Er is genoeg stimulans om je verder te ontwikkelen. De liefde is de voedingsbodem voor al die andere belangrijke zaken als nabijheid, veiligheid, zorg enzovoort.

    Want zoveel is wel duidelijk: liefde is de kracht die ons vertrouwen geeft en die ons stimuleert om te worden wie we zijn. Als er genoeg nabijheid in ons leven is, blijken wij beter in staat om de steeds groter wordende uitdagingen van dit leven aan te gaan en onze taken tot een goed einde te brengen. Een van de termen die opduikt in de therapieën is: gehechtheid.

    Als je van jongs af aan in een liefdevolle relatie gehecht bent aan … je ouders in de eerste plaats en daarin ook aan jezelf (!), ben je ook beter in staat om je te hechten aan een partner met wie je zelf ook weer voor kinderen kunt zorgen. Liefde is delen – wij geven dit aan elkaar door (ook het gebrek eraan, helaas).

    Eigen aan het leven is dat er verschillende fases in je leven zijn. Qua leeftijd, maar ook qua ervaring. De ene fase is gelukkiger dan de andere. In die veranderingen blijkt jouw gehechtheid de basis waarop je voortborduurt. Wat voor de ene een moeilijke fase is die voorbij gaat, is voor de ander een onherstelbare breuk. De basis van liefde en vertrouwen (gehechtheid) is daarbij van doorslaggevende betekenis.

    Uiteindelijk kun je als partners ervoor komen te staan dat de een voor de ander verzorger wordt. Hoe ver sta je dan af van het gezamenlijke begin als minnaars? Het lijkt zo’n groot verschil dat de kloof niet te overbruggen valt. Hoe kun je bij zo’n groeiende ongelijkheid van geven en ontvangen nog ‘minnaars’ zijn? Voor veel oudere mensen – soms ook jonger, helaas – is dit een realiteit. Ben je in staat om de bron van liefde te blijven voelen?

    We begrijpen allemaal dat het niet zo eenvoudig is om hierover goed te spreken. Mijn punt is: toch zal dit moeten. Nu lijkt het er vooral op dat wij afwachten en ‘maar zien hoe of het komt’. Wat kun je anders dan? Het heeft toch ook weinig zin om op de ontwikkelingen – die misschien niet eens komen! – vooruit te lopen?

    Ik vermoed het volgende: partners die onderweg hun eerste liefde levend hebben weten te houden, zijn met elkaar meegegroeid dwars door al die verschillende levensfasen heen. (N.B. Ik ben ondertussen niet vergeten dat het mij persoonlijk niet gelukt is! Tegelijkertijd: ik heb het bepaald niet helemaal opgegeven …) In mijn eerste gemeente heb ik van een oudere vrouw geleerd – zij was zojuist weduwe geworden – dat de liefde die zij met haar man had gedeeld juist een troost was bij de verwerking van het verlies van hem. Ik dacht juist het omgekeerde: als je niet zoveel van elkaar hebt gehouden, mis je elkaar minder. Dan is het dus gemakkelijker dan als je heel veel van elkaar hebt gehouden. Het was juist andersom: de liefde die zij had beleefd was er nog steeds als bron van troost ín het gemis dat er ook ontegenzeggelijk was. En andersom: het gemis aan liefde in een relatie bleek ook een duurzaam gemis na het overlijden. Hoe neem je afscheid, als je elkaar niet goed kunt bereiken?

    Dit is natuurlijk allemaal erg pijnlijk. Neem me niet kwalijk als het lijkt alsof ik precies weet hoe het zit. Er valt van alles over te zeggen, meer dan ik weet of kan. En meer nog te delen! Wat is jouw verhaal?

    In zekere zin lijken we allemaal op iemand die uitgelegd krijgt wat pudding is en hoe het smaakt, terwijl wij nog nooit pudding hebben gezien, laat staan geproefd.

    Een laatste aspect dat ik graag nog wil aanstippen is dit: communicatie. Ik zat bij een van de bandleden aan tafel (de band ‘Laud’ die die zondag in onze dienst speelde). De vraag was: waar en op welke manieren kom jij liefde tegen? Zijn antwoord: nou, overal. Als ik voor de klas sta en met die jongeren bezig ben, speelt zich daar over en weer liefde af … Als je goed contact hebt, is dat liefde. We zijn geneigd om eraan voorbij te gaan, omdat het zo alledaags, gewoon en ‘normaal’ is. Een mens weet pas wat hij mist, als het er niet is!

    Onze diepste angst is ‘verloren te gaan’, scheidingsangst, verlatingsangst, afgewezen te worden enzovoort. Claudia de Breij: mag ik dan bij jou – dan mag jij bij mij. De grootste uitdaging is om liefde te geven, ook al weet je niet zeker of je die liefde ook terug krijgt. Er is niets zo moeizaam als om zonder liefde te leven (en soms hebben we uitdrukkelijk het gevoél dat er geen of te weinig liefde is). Sommigen hebben echt op een heel mager dieet moeten leven en dat was niet ‘hun eigen schuld’. Velen ontvangen liefde, maar weten niet wat ze ermee moeten. Nooit geleerd om ervoor open te staan, het naar binnen te laten gaan, je hart te laten verwarmen en er iets moois mee te doen.

    Sommigen zeggen: love is the key (liefde is de sleutel). Ik zeg: liefde is de deur. Het is de deur naar jouw hart en tegelijkertijd, in een en dezelfde beweging, de deur naar het hart van de ander. Open hem. Ga erdoor. Wees welkom!

    Gerard Knol

     

    Had ik de liefde niet

    Al kon ik nog zozeer in prachtige preken mijn redes afsteken

    en wist ik wijze woorden op ieder gebied maar had ik de liefde niet

    dan was het toch meer wat trommelgekletter gezwets en geschetter had ik de liefde niet. Al blies ik trompet hoog van de toren

    al zong ik in koren

    de sterren van de hemel, het hoogste lied maar had ik de liefde niet

    dan klonk het toch net als toeters en bellen.

    Ik had niets te vertellen had ik de liefde niet.

    Want liefde is echt en liefde is aardig is open, oprecht

    en eerlijk, rechtvaardig. ‘t Is liefde die ziet

    hoe opnieuw te beginnen die ieder verdriet

    ook de dood kan overwinnen.

    Karel Eykman (uit: Zonder liefde ben je nergens, 2003)

    Veelkleurig

    Binnenkort vieren wij Pinksteren. En we vieren dat gezamenlijk, met de kerken van het cluster. Dat is en blijft bijzonder, omdat geen ander christelijk feest dan Pinksteren zo mooi is om te vieren met mensen die je misschien niet zo goed kent, maar met wie je toch iets deelt. Want met Pinksteren denken we aan al die verschillende mensen uit verschillende landen en streken die daar verzameld waren in Jeruzalem voor het Joodse oogstfeest, op het moment dat de leerlingen de Heilige Geest ontvingen. Jeruzalem was toen al een knooppunt van landen en culturen. En in Handelingen 2 staat dan over de leerlingen van Jezus:

    En allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

    In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken.

     De leerlingen begonnen te branden van blijdschap en enthousiasme en liefde voor God, ze konden zich niet meer stil houden toen de Heilige Geest kwam. Maar het wonderlijkste is: alle mensen die ze hoorden spreken, uit al die verschillende landen, hoorden ze spreken in hun eigen moedertaal!

    In de kerk spreken wij vaak ook verschillende ‘talen’. Soms letterlijk. Maar ook figuurlijk spreken we verschillende ‘geloofstalen’. En dat kan maken dat het moeilijk is om elkaar te begrijpen. Om je gezien en gehoord te weten door mensen die anders in hun geloof staan. Je kunt je meer thuis voelen in de vrijzinnige of in de confessionele hoek van de kerk. Maar het kan ook op andere vlakken verschillen. Je kunt erg houden van mooie woorden, of traditionele formuleringen, of juist van een losse sfeer in de kerk. Of je houdt van een mooi lied, maar wat de een mooi vindt, is anders dan waar de ander door aangesproken wordt. Je kunt het belangrijk vinden om je praktisch in te zetten voor je geloof, of je houdt van een mooi boek of een mooie preek die je aan het denken zet. Het geloof kan voor jou iets heel persoonlijks zijn, of je wilt het met iedereen delen.

    En dan zijn we vanouds ook nog met hele verschillende mensen in de kerk, uit verschillende ‘lagen’ van de samenleving. Dat was al zo in Handelingen. De kerk was een ratjetoe van mensen. Van slaaf tot weduwe tot legionair. En dat is in deze tijd niet anders.

    Al vanaf het begin van de kerk, vanaf Pinksteren, horen al die mensen erbij, met hun eigenheid, hun kleur. Vanaf het begin is de kerk al ‘veelkleurig’.

    Dat woord, veelkleurig, moet niet betekenen dat de kerk grijs moet zijn. Dat iedereen bij de deur welkom is, maar dat we vervolgens allemaal op elkaar moeten lijken. Dat we precies hetzelfde moeten geloven, of mooi moeten vinden.

    Maar, kun je je afvragen, wat delen we dan wel met elkaar? Wat we delen, is dat we ons door God aangesproken weten. Dat we geloven dat God, in onze eigenheid, in al die verschillende talen, tot de mensen spreekt. Dat vind ik persoonlijk een heel mooi beeld. Het werk van de Heilige Geest is niet in te kaderen. Zoals in het lied ‘Samen in de naam van Jezus’: de Geest doorbreekt de grenzen die door mensen zijn gemaakt. Hij helpt ons om God te zien, te begrijpen, te verstaan in onze eigen (geloofs)taal.

    En dan komt de grote uitdaging: dan moeten al die mensen, die door de boodschap van de leerlingen worden aangesproken, toch iets met elkaar! Ze breken het brood met elkaar, vormen een gemeenschap. En dat gaat niet zonder slag of stoot. In het Bijbelboek Handelingen zie je al dat er al snel ruzies komen over dat bepaalde groepen worden voorgetrokken boven andere, en vragen over wie erbij horen en wie niet, en hoe je daar op een goede manier mee om moet gaan. Uiteindelijk wordt dan steeds wel gestreefd om de gemeente, ondanks de verschillen, bij elkaar te houden. En om open te blijven staan voor mensen die van buiten komen.

    En ik denk dat juist dat de kerk is, het lichaam van Christus. Een groep mensen die niet ideaal en niet perfect zijn, een groep mensen met verschillende kleuren, die toch samen door God uitgekozen en gebruikt worden om Zijn lichaam te zijn in deze wereld. En dat lichaam vormen we niet omdat we het zo goed met elkaar kunnen vinden. Maar omdat we ons allemaal door diezelfde God aangesproken weten.

    Zo’n kerk mogen wij zijn met elkaar. Een kerk waar ieder welkom is, met zijn of haar eigen kleur, eigen geschiedenis, eigen successen en gekwetstheid, voorkeuren en verliefdheden, uitbundigheid en verlegenheid. En waar ieder zich daarin door God gekend en aangesproken mag weten.

    Misschien geldt in de kerk wel het motto: doe maar gek, dan doe je gewoon genoeg.

    Ds. Tjalling Huisman en ds. Jake Schimmel

    De kern van het christelijk geloof: Pasen

     Zonder Pasen geen Christus en dus ook geen christelijk geloof.
    Open deuren. Christelijke vanzelfsprekendheden. Onbetwistbare logica. Dat had je gedacht!

    Alle volkeren hebben rituelen rondom leven en dood.
    Alle volkeren hebben rituelen rondom vruchtbaarheid, zaaien en oogsten. Wat daarin terugkomt is dit: alles wat groeit en bloeit en ons altijd weer boeit gaat dood. En daarna, zo is de natuur, komt alles in vernieuwde vorm weer terug. (Mooi, hè?)

    De wrange werkelijkheid van de mens is dat ‘het leven doorgaat’, maar dat dit geen troost is voor geleden verliezen.
    Hoe complexer de levensvorm of: hoe groter de ziel, hoe meer er aan de formules van dit fysieke bestaan wordt geleden! Wij ervaren de schaduwzijde van dit bestaan uitdrukkelijk. Hij gaat aan niemand voorbij.

    Hoezeer er dus enige mildheid uitgaat van de waarneming dat er wordt gestorven en dat er nieuw leven voor in de plaats komt, de pijn van het gemis is daarmee niet weg. Na winter komt lente, na regen zonneschijn, maar de cyclus wordt niet doorbroken door een ander perspectief.
    Ook in de Bijbel vind je dit format terug: Pesach is een vroeg oogstfeest. Israël heeft er de bevrijding uit Egypte, uit de slavernij aan gekoppeld. Wanneer er dus geoogst wordt, wordt in herinnering gebracht dat de HEER (de Naam van God die onuitsprekelijk is) het volk verlost heeft: bevrijding uit Egypte, leiding door de woestijn, succesvolle intocht én het genieten van de oogst van het land! Er is dus niet alleen sprake van een succesvolle oogst, maar van een wonderbaarlijke verlossing en zegen. Dit betekent dat men het natuurlijke niet gedachteloos viert vanuit de cyclus, maar opnieuw vanuit de verlossing die de HEER geeft.

    De graankorrel moet in de aarde om daar te sterven en nieuwe vrucht voort te brengen. Zo komt de natuur opnieuw aan de orde als een natuurlijk, min of meer vanzelfsprekend, gegeven én tegelijkertijd in een nieuw daglicht: dood = nieuw leven.
    Dat is nogal gewaagd. Een natuurlijk beeld licht hier de sluier op van een volslagen on-natuurlijk gegeven. We mogen hieraan niet wennen. Het is de diepste bedoeling dat wij dit wonder altijd koesteren als een niet vanzelfsprekende wending in ons bestaan. Dus ook niet als een christelijke vanzelfsprekendheid! (Laat staan als een vorm van christelijk ‘eigen gelijk’!)

    Ik ga hier voorbij aan al onze moeiten om de opstanding te geloven. Andersom: onze moeiten om opstanding te geloven en om dit ‘gegeven’ te integreren bij ons alledaagse bestaan helpen ons om in te zien hoezeer opstanding NIET vanzelf spreekt. God plaatst een revolutie in het hart van ons bestaan en daagt daarin tegelijkertijd gelovigen uit om hun leven te leiden vanuit dit perspectief.
    Niet de cyclus van de natuur en evenmin het harnas van ons zelfbehoud tegen de wisselvalligheden van ons bestaan. Nee, een vertrouwen op de puntkomma die God maakt van de punt achter ons bestaan-zoals-het-nu-eenmaal-is. En dat is geen sprookje. De natuur is een gelijkenis van iets goddelijks dat niet anders onder woorden en in beelden te vatten is.
    De kern van ons geloof is niet ‘dat wij dit zo zien’. De kern van ons geloof is dat wij léven vanuit de opstanding. Dat wij niet blijven staan bij de dood, maar een bestaan leiden voorbij de dood. Wat betekent dat voor u, voor jou?

    Op weg naar Pasen

    Jezus diep in de woestijn, eenzaam en vol vragen … (Liedboek 539).
    Zo begint de tijd van de veertig dagen in de woestijn. Wij hebben altijd het gevoel dat het een hele zware periode is met als klap op de vuurpijl: de verzoeking door de duivel.
    En dat is het ook. Jezus vertegenwoordigt, evenals in Gethsemane, ons menselijke bestaan in de diepte. Denk aan de psalm die in het Latijn wordt aangeduid met ‘de profundis’, dat wil zeggen ‘uit diepten van ellende roep ik tot U, o Heer’ (psalm 130). En hoe lang kun je als mens zonder water en voedsel? Zonder water drie tot vier dagen (maar in de woestijn?). Zonder voedsel tot acht weken (dat is dus 8 x 7 = 56 dagen, zoiets). Moslims eten in de vastentijd na zonsondergang. En hoe letterlijk moet je veertig nemen (omdat het getal verwijst naar het aantal jaren van het volk Israël in de woestijn).

    Maar, hoe dan ook, het is duidelijk dat Jezus lange tijd in afzondering, alleen dus, in de wildernis verkeert en dat hij daarbij vast.
    Ik denk dat de meeste mensen zich onmiddellijk afkeren van het idee van eenzaamheid én vasten. Toch wil ik daar een belangrijke kanttekening bij plaatsen. Via het lichaam zullen we heel snel voelen dat het grote ontberingen zijn. We voelen angst, weerzin en verzet. Dat niet: niet zonder menselijk contact en zonder voedsel!
    Ik heb enige ervaring met korte tijd vasten. De eerste twee dagen ervoer ik als de moeilijkste. Daarna treedt er een soort rust in in je lijf. Als je bijvoorbeeld eens echt heel zwaar getafeld hebt, voel je in je lijf hoe hard er gewerkt moet worden om dat allemaal weer te verwerken. Als je vast heeft je lichaam voor die tijd even niets te doen. Het is belangrijk om, als je vast, fysiek actief te blijven én te blijven drinken (!). Je houdt het dan langer vol en je voelt je vaak echt beter (dat geldt voor mensen die ruim in hun lichaamsvet zitten; niet voor mensen die al weinig of niets over hebben …).
    Veertig dagen is natuurlijk een heel ander verhaal. Je zou kunnen stellen dat Jezus zijn fysieke leven op deze wijze test en aan de rand van de dood brengt … Daarom staat er ook dat hij op het laatst kennelijk écht honger had. Het was erop of eronder.

    Een andere kant, die ik onlangs ontdekte, is deze: de nabijheid van God (wij vergeten soms dat er wordt gezegd dat engelen Jezus’ dienden). Je kunt een negatieve ingang kiezen: eenzaamheid, onherbergzaamheid, geen voedsel enzovoort. Je kunt ook een positieve ingang kiezen: stilte, rust, focus enzovoort. In de stilte komt de innerlijke herrie vaak los, zoals in het vasten ook de opgehoopte afvalstoffen los komen (en hoofdpijn veroorzaken). Maar dan komt er gaandeweg iets anders los.
    Er zijn ervaringen die pas de kans krijgen als al het andere wordt losgelaten en ‘voorbij’ is. Er bestaat een vorm van meditatie (Vipassana) waarbij mensen ervoor kiezen om tien dagen lang te zwijgen. Zeg maar een soort vasten op het niveau van praten. Een tijdje terug werd daarvan verslag gedaan op televisie (een BBC-serie). Er was een aantal mensen uitgezocht van zeer uiteenlopende aard en karakter, gelovig en ongelovig die het aangingen om tien dagen te zwijgen. Elke dag had men één gesprek met een geestelijk begeleider als mogelijkheid om te delen wat er boven kwam.
    Het opmerkelijke was dat mensen dichter bij God en bij hun diepere zelf kwamen. Dat betekende onder andere dat zij de keuzes in het leven in een ander licht begonnen te zien. Vooral vanuit een grotere innerlijke vrede. Precies dít zie je bij Jezus, diep in de woestijn, ook gebeuren. Hij vindt de goddelijke kracht en de goddelijke inzichten om de duivel te weerstaan. Het brengt mij ertoe op dit moment om me af te vragen waarom wij toch zo weinig met geloof in de keuzes van ons leven lijken te doen. Wij laten ons meevoeren met de stromen en het tij van het leven in de wereld. Waarom benutten wij de middelen die ons worden aangereikt, zoals stilte, meditatie, gebed – als middelen om de nabijheid van God te zoeken – zo weinig? Wat is onze angst, onze weerzin daarin?

    Het moge duidelijk zijn dat het keuzes zijn die alleen wij zelf kunnen maken. Gelukkig kan ook niemand ons die opleggen. Ik ben er diep van overtuigd dat wij ons leven zo organiseren dat God er zo weinig mogelijk in voor komt. Het is niet God die niet om ons zou geven. Wij zijn het zelf die God niet toelaten. (En dat is geen verwijt, maar een constatering die ik telkens weer maak.)

    Nu kunnen we ons vervolgens schuldig gaan voelen daarover (en misschien worden we ook kwaad). Maar ik blijf herhalen: dat hoeft niet en dat heeft ook helemaal geen zin. Wat er tussen ons en God in staat, staat ook tussen ons en onszelf, tussen ons en de andere mensen in: angst, wantrouwen, weerzin, wrok, teleurstelling enzovoort. Ergens hebben we het allemaal opgegeven, geloven we er niet meer in, vinden we het te moeilijk enzovoort.

    Dit is de shit die Jezus doorwerkt, diep in de woestijn. En – hij is er op een gegeven moment helemaal klaar mee. Hij vindt God. Hij draagt de ‘zonden’ weg. Wat ik zeg: hij is er klaar mee! Wij hebben een beeld opgebouwd dat Jezus dat wel eventjes voor ons heeft opgeknapt. Omdat hij er klaar mee was, zijn wij er ook klaar mee! Was dat maar waar! Helaas pindakaas. Zoals hij, moeten ook wij onze diepste angsten onder ogen zien om verder te komen. Om ervan bevrijd te raken. Daarvoor moet je ze niet wegstoppen, maar laten opkomen (erkennen), in de ogen zien en ze overwinnen. We zullen dit echt moeten doen om te leren wat de kracht van geloven is. Geloven in God doet een appel aan onze diepste menselijkheid.
    De ervaring van Pasen is dat deze praktijk jou ‘erbovenop helpt’. Je kunt ervoor weglopen, maar er komt een moment dat je je niet meer kunt verstoppen. De woestijn. Gethsemane. Ze zijn er in ieders leven. Wat ondergaan we daar? Wat doorleven we daar? Onze ondergang? De meeste mensen ervaren: je komt er sterker weer uit. In deze ervaring komen God en onze diepste menselijkheid elkaar tegen: er is leven voorbij de angst, voorbij de pijn, de verwarring, de moedeloosheid.

    Aswoensdag

    Op woensdag 14 februari begint de vasten- of veertigdagentijd.
    Dan begeven we ons in de richting van het gebeuren waarop het hele christelijke geloof is gebaseerd: Pasen.
    Pasen – niet alleen het verhaal van de glorieuze opstanding.
    Pasen – het verhaal van Goede Vrijdag, de vernedering en het lijden.
    Pasen – het verhaal van de maaltijd die de uittocht van het joodse volk en het lichaam van de Messias met elkaar verbindt.

    Gaan we dit pad weer automatisch op?
    Is het niet een kwestie van de kalender, zoals ook elke maandag weer de weg naar school of werk moet worden gegaan?
    Soms denk ik dat de schrale automatismen van de gelovigen en de betekenisloosheid van deze zaken buiten geloof en kerk hand in hand gaan.

    Het is gemakkelijker om je leven in te richten naar zaken op je netvlies dan om ze in te richten naar de dingen die vragen stellen aan wie je bent en wat je doet.
    Waarom leiden de dingen op ons netvlies niet tot die vragen?
    Ik ga op dit moment geen lange verhalen afsteken, want die werken niet.

    Ik vraag me af wat het lijden van Jezus anders betekent dan dat wij ons bepalen bij mensen die lijden.
    Dat we daaraan dus niet voorbij gaan.
    Er is een lange lijn van lijden van rechtvaardige, goedwillende mensen in de Bijbel.
    En je weet zelf: als je van iemand houdt, om iemand geeft, dan kun je het niet verteren dat zo iemand onrecht wordt aangedaan.
    Het lijden roept verontwaardiging en woede op, te meer wanneer het gaat om onschuldige mensen. Ik moet denken aan John Coffey uit de film ‘The Green Mile’. Hij is zo onschuldig als een lam, die grote zwarte man, en de goedheid zelve, een kind eigenlijk, maar hij ondergaat de doodstraf, omdat hij zijn onschuld niet kan bewijzen.
    Hij is een beetje als Christus, als een zoon van God, omdat hij beschikt over de gave om wezens te genezen van het kwaad, de ziekte of zelfs de dood die hen bedreigt. Hij wordt in de film ook ‘een wonder van God’ genoemd. Het is onuitstaanbaar dat juist híj moet boeten voor een misdaad die hij niet heeft gepleegd. Om gek van te worden. Maar datzelfde geldt van Jezus.

    Kunnen wij het opbrengen om met de mens te waken in het uur van beproeving. Voor Jezus is dat Gethsemane. Wat is het voor jouw buurman of –vrouw?
    Je waardeert het leven beter, wanneer je onder ogen durft te zien hoe zwaar het voor sommigen is. Ook daarin schuilt opstanding: een intensiever bewustzijn van het leven dat je gegeven is.

    Epifanie

    Na alle Kerstdingen en –drukte en na alle ‘goede voornemens’
    en niet minder goede wensen voor het Nieuwe Jaar breekt er een periode aan van …
    weer gewoon doen?

    Nou, ik wilde zeggen: van nieuw leven!
    Het kind is geboren en gaat zich – als in een soort ‘coming of age’, volwassen worden – aan ons voorstellen.
    Wat houdt het in dat men hem ziet als Zoon van God, als Messias van Israël?
    Hij komt aan het licht. (Zo zou je het woord ‘Epifanie’ kunnen weergeven.)

    Nieuw leven. Toekomst. Hij doorbreekt de routine van de wereld.
    Mooi hè?
    Nou, ook verrekt lastig, want het betekent dus ook dat hij zijn leerlingen wég roept uit hun alledaagse gewoonten en routine. Hun carrière wordt onderbroken.
    Hoe somber we ook geregeld zijn over het wel en wee in de wereld, échte veranderingen, onderbrekingen vinden wij vooral ongemakkelijk. We houden van onze gewoonten. Ook van de slechte.
    Wees eerlijk!

    De tijd van gewoontechristendom is voorbij. Ook van het ‘goede gewoonte’- christendom.
    Laten we maar eerlijk zijn: die navolging van Christus is een hoofdstuk waarop wij niet zitten te wachten.
    We hebben het zonder al druk genoeg! Met onszelf, met elkaar, met de wereld, met alles wat we zoal willen enzovoort.
    Én bij wat vroeger navolging heette, zetten wij nu terecht vraagtekens.

    In het Westen staat het voortbestaan van kerk en christendom met het antwoord op de vraag: willen wij Christus navolgen? Tot op de consequenties die hem aan het kruis hebben gebracht.
    In de weg staat: het genot, genoegen en amusement dat de wereld ons biedt.
    Vroeger worstelden we met ‘de verleidingen en verlokkingen van de wereld’. We concludeerden daaruit dat we van God niet mogen genieten.
    Nu doen we dat dan eindelijk wél, maar we ontdekken dat we erin wegzakken, slap worden, doof en blind voor wat er op een andere dan economische wijze moet gebeuren.
    Wie is er nog te porren voor het stellen én beantwoorden van ongemakkelijke vragen?
    Daarvoor moet je nadenken, angsten doorstaan en uit je schulp kruipen.
    Een wijding aan luxe leven betekent in de praktijk laks- en luiheid in deze zaken.
    Ondertussen bedoelen we het niet kwaad – zeker niet! –, maar het werkt niet.
    Zaken die prioriteit verdienen, blijven liggen (omdat ze tijd en geld kósten en niet opleveren).

    Navolging van Christus = prioriteit geven aan de zaken die ons medemenselijker maken.
    Het zijn tekenen van het Koninkrijk. Tekenen van Christus in en om ons. Epifanie.

    Als alles duister is, ontsteek dan een lichtend vuur dat nooit meer dooft

    Het einde van het jaar is doorspekt met feesten.

    Het begint al met Allerzielen. Dan is er Sint Maarten. Wie de overledenen niet heeft herdacht met Allerzielen, doet dit op de laatste zondag van het kerkelijk jaar (heel enkel nog met oud en nieuw). Half november is Sinterklaas in het land. Met Sinterklaas begint de advent eigenlijk al: hij komt, hij komt … En als Sinterklaas is geweest, beginnen we toe te werken naar Kerst. Na Kerst is er oud en nieuw en dan … Kunnen we weer gewoon doen. Iedereen blij dat het voorbij is.

    Als de dagen korten, beginnen wij ons best te doen om licht in huis, aan huis en in de wereld te brengen. De boze geesten van het afgelopen jaar moeten bezworen en de wereld moet helemaal goed worden met ‘vrede op aarde’. Het is een jaarlijks ritueel, maar het blijft getuigen van enige wil en verlangen naar echte verandering. Al komen we wellicht vaak niet verder dan verveling, eten, landerigheid en verplicht familiebezoek. Een boze geest die ongezien altijd met ons meereist, is die van de eenzaamheid. Mensen die alleen gaan, die iemand hebben verloren, die buiten de flow van de feestdrukte staan enzovoort, voelen wat ik bedoel. Het sacherijn dat gepaard gaat met de feestdrukte.

    Het is best pijnlijk: te weten dat Kerst, het feest van de Vredevorst in kindformaat, niet werkelijk verlost. Dat we niet boven de goede bedoelingen uitkomen. Net zo goed als het voornemen om te stoppen met roken, als een van de goede voornemens voor het nieuwe jaar, vastloopt in oude gewoonten. Per slot van rekening kun je je vuurwerk handig afsteken met behulp van een sigaretje, niet dan?

    Natuurlijk hebben velen de teleurstelling al ingecalculeerd en wordt er daarom slechts aan de buitenkant gevierd wat aan de binnenkant schreeuwt om échte verandering. Dat is het geval buiten de kerk en ook binnen de kerk: weten dat het waarschijnlijk weer niet gaat lukken in het komende jaar.

    Daarom blijven de tegenstrijdige eindejaarsbelevingen elkaar afwisselen. De tijd waarin het natuurlijke licht afneemt en tot haar minimum teruggebracht wordt is ook de tijd waarin mensen hun best doen om licht te maken. Ik blijf dat, ondanks de genoemde verveling enzovoort, een mooie symboliek vinden. Maar symboliek – hoe mooi ook – is onvoldoende brandstof voor echte veranderingen.

    “Komt allen tezamen, jubelend van vreugde. Komt nu, oh komt nu naar Bethlehem.” Het ‘hij komt’ kan niet zonder ‘komt nu’. Het kind in de kribbe is geen kerstmisselijke sentimentaliteit, maar een herinnering aan de profeet Jesaja: “Een rund herkent zijn meester, een ezel kent zijn voederbak, maar Israël mist elk inzicht, mijn volk leeft in onwetendheid.” (1,3) Daarom staan de os en de ezel om het kind in de voederbak heen. Zij snappen waarom het gaat, het volk niet.

    Ja, natuurlijk, wij snappen het wel, maar we houden het zo langzamerhand niet meer voor mogelijk. Onze zielen hebben eelt gekregen en onze feesten overtuigen ons niet meer. Wie dus wil feesten, werkelijk wil feesten, zal eerst die eelt van zijn/haar ziel moeten krabben. Geloven gaat niet zonder gevoeligheid. Je moet eerst de pijn voelen om te begrijpen hoe nodig, hoe noodzakelijk het is om te veranderen. En geloof niet langer dat we ermee wegkomen alles zo te laten als het is. Ik wens u een goede Kerst en een zalig Nieuwjaar!

    Hoe serieus nemen wij God?

    Zo luidde het thema van de themadienst van 15 oktober jongstleden. Hoe serieus nemen wij God? Het is een vraag die wij onszelf nooit stellen, denk ik. (Denk er maar even over na of het werkelijk zo is als ik denk dat het is. Ik kom er zo op terug.)

    Het thema liep weg uit de evangelielezing van Matteüs 22,1-14.

    De koning nodigt de club van getrouwen uit om met hem de bruiloft van zijn zoon te vieren, maar zij weigeren om te komen. Iemand zei als reactie op dit element van Jezus’ gelijkenis: “Die koning was gewoon niet geliefd. Ze moesten hem niet. Hij dwingt mensen om naar de bruiloft te komen.” Het verzet van de mensen tegen de koning werd dus begrijpelijk en daarmee verdedigbaar gevonden! Zo van: het staat je vrij om nee te zeggen op de uitnodiging.

    Ik vond het een zeer opmerkelijke reactie – dat in de eerste plaats. Ik heb met deze opmerking weinig gedaan in mijn afsluitende overdenking in de dienst van 15 oktober. Ik heb me meer beziggehouden met de problemen die mensen hadden met het slot:

    • Er was iemand zonder bruiloftskleren. Hij werd er door de koning uitgegooid (in de “uiterste duisternis, waar men jammert en knarsetandt.”). Veel mensen vonden dit een buitensporig zware straf.
    • Een ander struikelblok vormde de slotuitspraak van Jezus: “Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.” Helaas denken toch nog allerlei mensen aan het oude gereformeerde thema dat God mensen aanwijst om te behouden en om verloren te laten gaan, ongeacht hun levenswijze of geloof.

    Ik neem nog even de gelegenheid te baat om op een paar zaken nader in te gaan.

    Allereerst: de tekst die wij hebben gelezen, is een GELIJKENIS.

    Bijna zoals een sprookje: er was eens een koning, lang geleden en in een land hier ver vandaan. En die koning wilde een groot bruiloftsfeest geven ter ere van zijn zoon. (Je ziet het voor je en je droomt weg in een verhaal dat zich elders, lang geleden afspeelt ….)

    Het leek alsof er weinig begrip voor het symbolische van het verhaal was. Het leek alsof, in ieder geval in de reacties die in de dienst doorklonken, iedereen het verhaal LETTERLIJK nam. Dus niet als een sprookje, een gelijkenis.

    Maar wat zegt deze gelijkenis dan?

    Ik zou de letterlijke betekenis van Jezus’ verhaal zo willen weergeven:

    God roept de gelovigen (in Jezus’ tijd het oude Israël) om deel te nemen aan het feest van het koninkrijk. Zij zeggen ‘nee’, want ze hebben wel betere dingen te doen: het maïs, de uien, de aardappels en zo nog wat meer moeten van het land en er moet handel worden gedreven anders gaat de zaak failliet. Ze zeggen ‘nee’, want ze hebben geen tijd voor Gods project. Zo ziet Jezus de reactie van de synagoge van zijn tijd (symbolisch: de mensen binnen de stadsmuren). Daarom nodigt God de mensen uit – goeden én slechten! – die helemaal niets met Israël hebben (destijds: de mensen van buiten Israël, de ‘heidenen’; of nu: mensen buiten de kerk). In die groep zit ook iemand die niet in de feeststemming is en die wordt er daarom uitgezet. De conclusie is dat Gods uitnodiging veel mensen bereikt, maar dat er weinigen gehoor aan geven.

    Meer is het niet. En waar sta jij? Waar staan wij in dit verhaal?

    Vandaar de thematische vraag: hoe serieus nemen wij God?

    De vervuiler die hier zijn werk doet is het schuldgevoel dat een dergelijke vraag bijna ‘als vanzelf’ oproept (want wij weten heus wel dat wij het niet goed genoeg doen …). Niemand van ons heeft een bruiloftsoutfit aan. Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg en al die hoge doelen van God halen wij toch nooit.

    Wat ik zo mooi vind aan de gelijkenis is, is dat de koning (God dus) goede én slechte mensen uitnodigt. Daar legt Hij de lat dus niet. Geweldig! Zijn maatstaf is: ben je blij dat je uitgenodigd bent en dat je mee mag feestvieren? Dan ben je welkom!

    Soms vinden mensen dat te gemakkelijk. Daarom roept zo’n slotzin ook onbehagelijke gevoelens op: “Velen zijn geroepen, maar slechts weinigen uitverkoren.” Oh jee, hoor ik dan wel bij de uitverkorenen of toch, als het erop aankomt, niet?! Zo’n angst gaat gemakkelijk een eigen leven leiden.

    Kijk, als God zegt dat hij de wereld via zijn zoon wil redden, dan betekent dat ook dat hij die wereld wil redden. Aangezien jij ook deel uitmaakt van die wereld, hoor je er dus helemaal bij. Klaar.

    De andere kant is dan: wat doe jij met die uitnodiging. Zie het zo: je bent enthousiast over voetbal en je zegt dat je er helemaal vol van bent, maar als het op spelen aankomt, zeg je: “Nee, liever niet.” Of zie het zo: iemand zegt dat hij zielsveel van je houdt en jij zegt: “Ik ook van jou.” Prachtig, maar vervolgens kijk je naar die persoon niet om. Integendeel, je kijkt om je heen naar allemaal andere mensen die je veel leuker lijken.

    Ik denk dat het verdriet van God is dat wij zijn spel niet willen spelen en dat wij zijn liefde niet hartelijk beantwoorden.

    Tegelijkertijd moet ik toegeven dat het binnen de kerk net zo is gegaan als binnen de synagogen: dat wij, de ‘Farizeeën en Schriftgeleerden’, de zaken ook zwaarder en ondragelijker hebben gemaakt dan nodig is. En nog ligt die valkuil er. Hoe vaak hebben wij niet zwaar gedacht, geloofd en geleefd. Zoals Kuitert zei, na de watersnoodramp: “Daar ga je dan, met je hele hebben en houwen het zeegat uit. Je had wel mogen leven, maar je hebt het niet gedaan.” Uit naam van God is mensen heel wat levensvreugde ontzegd.

    Reden waarom ik graag opnieuw zou willen beginnen, nl. bij de oproep voor het feest! Het feest van de liefdevolle verbintenis die God aangaat met mensen, telkens opnieuw.

    Gerard Knol