• Agenda:

    Zondag 22 juli 2018
    9.30 uur, Irenekerk
    Voorganger drs. H. Hoekstra uit Emmen
    Gezamenlijke dienst met Spijk-Losdorp

  • God, waarheid en beleving

    Media bepalen onze blik.
    Hoe wij denken, handelen en boven alles: hoe wij eruit willen zien, hoe wij willen overkomen.
    Kunnen wij ons nog voorstellen dat dit ooit minder belangrijk was?
    Waarheid en feiten waren in mijn opvoeding belangrijker dan wat ik ervan vond.
    Beleving is momenteel belangrijker dan waarheid.
    Hoe je overkomt is belangrijker dan wat je precies zegt. Waarheid en integriteit lijken van minder belang.

    Het verspreiden van desinformatie is een factor van belang geworden om vragen naar waarheid en feitelijkheid te verstoren. Alternatieve feiten is er een ander woord voor. Behoorlijk schaamteloos buigt men de werkelijkheid uit persoonlijke motieven. Kennelijk ziet men het niet langer als liegen.

    Natuurlijk is beleving belangrijk. Maar wat nu als beleving niet langer meer verbonden is met een controleerbare werkelijkheid? Dan staat die beleving helemaal op zichzelf. Ze vormt dan een eigen subjectieve werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid ontkent en scheef trekt. Het gevaar is al zo oud als de mensheid. Telkens opnieuw moet de vraag naar de waarheid worden gesteld om niet te verzanden in een brei van gevoelens, meningen en belangen.

    Zo valt God ook nooit samen met onze beleving of mening, ons denken of belang.
    De realiteit van God is altijd groter dan wat wij van God denken of begrijpen. Geloven in God is daarom ook meer dan ‘zo voel ik dat’.
    God valt niet samen met de mens of met mensen als (gelovige) groep.
    Dat is maar goed ook.
    Het is de basis van onze hoop: God is groter dan de optelsom van al onze belangen, gedachten en gevoelens.

    De werkelijkheid is groter dan alles wat de media ervan maken. Mensen zijn dieper dan de beelden die er inde media van worden gemaakt. God is groter dan het beeld of de beelden die wij van Hem hebben.

    Gerard Knol

    Je leven aan God wijden

    Dat klinkt zo vroom – je leven aan God wijden.
    Zo werd er vroeger vol trots vermeld dat zoonlief dominee werd of pastoor of missionaris.
    De stereotype mensen ‘die zich aan God wijden’.
    Ik ben nu bijna 60 jaar en ik weet heel zeker dat ‘je leven aan God wijden’ allerminst een vrome aangelegenheid is.
    Ik heb een diepgeworteld wantrouwen ontwikkeld tegen mensen die God en Jezus vooraan in de mond hebben liggen.
    Niet dat dat goed is, dat wantrouwen … Maar er is een goede reden voor.
    Er zijn zoveel mensen die geloof gebruiken als schutkleur voor dingen die men niet waar wil hebben.
    Géén vroomheid dus.
    Wel eerlijkheid, oprechtheid, rechtvaardigheid, schoonheid. Al die dingen die in de wortel met liefde hebben te maken: liefde voor dit bestaan in al zijn onmenselijkheid om het menselijker te maken.
    God heeft ons niet geschapen om goddelijk te zijn, maar om menselijk te zijn.
    En – gek genoeg! – betekent dit dat je meer dan het gewone, gemiddelde, halfslachtige, halfhartige moet doen om dat te bereiken. Liefde duldt geen halve overtuiging.
    Jezus ging voor het hele rijk van God en droeg ons op om hetzelfde te doen.
    Je leven wijden aan God betekent dat liefde en licht voorop gaan in jouw mens-zijn.
    Is het zo moeilijk om daarover NIET te liegen tegen jezelf en anderen?
    We zijn zo bang voor de consequenties, voor de gevolgen.
    En tegelijkertijd: is het zo ONMOGELIJK om ervoor te kiezen?
    Ook dat is praktisch en totaal niet vroom: begin maar waar je bent.
    Je hoeft geen heilig boontje te worden.
    Wel een gepassioneerd boontje.
    Gerard Knol

     

    Je stapt in de auto. Je start de auto. En je rijdt weg.

    Zo simpel is dat. In zo’n tijd leven wij. Deze dingen zijn vanzelfsprekend.
    Voor je het weet kijk je zo naar het hele leven. Het is een aaneenschakeling van logische handelingen en zo kom je waar je wezen wilt.

    Dat het er voor het grootste deel van de wereldbevolking zo helemaal niet uitziet, vormt geen onderdeel van ons alledaagse besef. Je moet er echt bij stilstaan en meestal doen we dat met enige tegenzin. En het heeft verder ook meestal geen consequenties, behalve een kort, onbehaaglijk moment waarop je beseft dat het ook anders kan zijn.

    God vraagt: “Adam, waar ben je?” De mens, Adam, heeft zich verborgen uit schaamte. Schaamte leert een kind, wanneer het zich voor het eerst bewust wordt van zichzelf. Baby’s hebben geen schaamte. De mens die weet wie hij of zij is, kent schaamte, wanneer hij of zij in de spiegel kijkt en zich daardoor realiseert dat er iets mankeert. Einde paradijs.

    Waarom zou ik mij dan schamen? Nou, bijvoorbeeld omdat je je realiseert dat we leven in een pijnlijk ongelijke wereld en dat je je daarvan niets aantrekt. Of omdat je weet dat een paar straten verderop iemand haar partner net heeft verloren. Wie ben jij om daar nu heen te gaan? Anders ging je er ook nooit heen.

    Een vraag die Kaïn zich stelt is: “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” Een schaamteloze vraag, als je je realiseert dat hij hem zelfs gedood heeft. Wij kunnen ons erachter verstoppen dat wij niet schuldig zijn aan het ongeluk van anderen die ver buiten onze gezichtskring leven. Wij kunnen ons echter niet verstoppen voor ons gebrek aan betrokkenheid, voor onze onverschilligheid. Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Dat zei Jezus. Hij hield zijn volgelingen zelfs voor dat ze het beter moesten doen dan de boegbeelden van gerechtigheid in zijn tijd.

    Zucht – moet ik mij dan álles aantrekken …? Daar gaat het niet om. Houd je hart open en kijk wat je kunt doen en wie je wilt zijn.

     Gerard Knol

    Open kerk zijn in de stad..

    Het gebouw staat midden in de wijk. Het is er omheen gebouwd. Mensen fietsen en lopen langs, zijn benieuwd naar het innerlijk en wat zich er zoal afspeelt. Open kerk zijn is een dankbare zaak. Je hoeft de deuren maar te openen en er waait van alles aan. Ondertussen blijkt de kerk ook een eigen leven te leiden. Juist doordeweeks..

    Voordat ik ’s ochtends arriveer, is het er al een drukte van belang. De steiger voor het orgel wordt opgebouwd. Grote mannen lopen af en aan met materieel, grappen in het Gronings terwijl ze de rookgeur van hun laatste pauze met zich meedragen. ‘Anne Nijland’, buldert het vanaf de steiger. ‘Dat ben ik’, roep ik flink terug. De foto’s op de poster bij de buitendeur blijken tussen de hijsen door goed te zijn bestudeerd. ‘Waar kan ik mijn telefoon opladen? In de kantine?’, vraagt een ander timide. ‘De kantine?’ Ik denk even na en bedenk dat ik net een paar mannen uit de consistorie zag komen. ‘Ja’, zeg ik en kan een lach niet onderdrukken, ‘in de ruimte waar jullie waarschijnlijk net koffie hebben gedronken ja’. Nadat ik het Stilteportaal geopend heb, stap ik de consistorie binnen waar het een bende is van jewelste. De tafel is gevuld met de ontbijtresten van de heren. Weer kan ik een lach niet onderdrukken.

    Tussen de bekruimelde borden en de dozen suikerklontjes vind ik een plekje voor mij en mijn laptop. Tijd om even naar de mail te kijken voordat het Bijbeluurtje begint. Een jonge knul klopt op het raam. ‘Ik kom voor het Bijbeluurtje’, legt hij uit. Hij druipt weer af als hij hoort dat dat pas over een uur begint. Hij blijkt in de buurt te wonen en van de vrijgemaakte kerk te zijn. ‘Van harte welkom hoor’, druk ik hem nog op het hart. Snel zet ik koffie. Ook voor Niels, de huisgitarist, die elke donderdag van de kerk gebruik maakt om muziek te spelen. ‘Eigenlijk oefen ik hier niet, maar draag ik voor. Zo’n mooie ruimte vraagt om voordracht. De ruimte is mijn publiek en net hoorde ik een meeuw meezingen’.

    Als ik check of de dagkaars nog brandt in het Stilteportaal tref ik Casper. Of hij de kerk even mag zien. ‘Natuurlijk’, zeg ik, en houd de deur voor hem open. ‘Mag ik een keer terugkomen met mijn schilderattributen? Ik ben kunstschilder, klassieke academie, en ik zou graag het interieur eens willen schilderen’. ‘Elke donderdag ben ik aanwezig: van harte welkom’, antwoord ik en wens hem een fijne dag. Tevreden loopt hij het zonnetje weer tegemoet. Nu wil ik nog even naar mijn preek kijken voordat het inloopuur aanvangt. Op de klanken van Radio 10 Gold buig ik me over Johannes 16: De stratenmakers hebben buiten de radio aan staan. De woorden van Marco Borsato (‘Afscheid nemen bestaat niet’) en Jezus (‘Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer’) blijken wonderwel samen te gaan.

    Dan hoor ik weer iemand binnenkomen. De wijkagent. Hoe het gaat met het Stilteportaal en of we zijn tips ter voorkoming van calamiteiten nog opgevolgd hebben. ‘Ja, we hebben sinds kort een prachtige deurbel met draadloos klankkastje’. Zo kan ik de deur op slot doen als ik elders in de kerk ben en toch gewaarschuwd worden als er iemand naar binnen wil. Ja, hoe gek het ook klinkt, bij open kerk zijn hoort ook het in de gaten houden wie er binnenkomt. Gelukkig hebben we een benaderbare wijkagent die ons hierbij helpt. Ondertussen denk ik aan Gert. Ik ben benieuwd of hij nog langskomt. Het gaat niet goed met hem en hij zit vaak om een luisterend oor en gebed verlegen. Omdat dát nou net is wat we als kerk te bieden hebben, help ik hem daar maar al te graag mee. Maar Gert komt niet. Volgende week vast wel weer en anders mail ik even om te vragen hoe het is. Na mijn wekelijkse gesprekje met één van de buurmannen die vrijwilliger is van het Stilteportaal, sluit ik mijn laptop en het Stilteportaal. De dag zit erop, de werkmannen zijn naar huis, het begint te schemeren in die schat van een kerk. Volgende week weer een dag.

    Vrijheid van meningsuiting

    Wat heerlijk, die vrijheid van meningsuiting! Wij leven in een wereld waarin je mag zeggen wat je denkt! Kom daar eens om in veel andere landen en culturen. Nee, dan zijn wij hier wel beter af dan heel veel andere mensen.

    Als u denkt: nou komt het, nou zal hij wel komen met een onverwachtse draai in het verhaal – dan hebt u het mis. Want dit is een ongelofelijk groot goed: geen blad voor de mond te hoeven nemen! Ik ben juist bang dat we dit zullen verliezen, omdat sommige groepen er moeite mee hebben om aan te horen wat anderen écht denken.
    Hoe komt het dan dat wij het risico lopen om die vrijheid van meningsuiting te verliezen? Ik denk allereerst omdat die vrijheid wordt verziekt door onnadenkendheid. Alles zeggen wat je voor je kop komt, is altijd nog wat anders dan eerlijk en oprecht zijn. De vrijheid nemen om iemand doelbewust te kwetsen, te beledigen of te kleineren, bijvoorbeeld, mag wel overkomen als vrijheid van meningsuiting, maar zij is dat slechts ogenschijnlijk, oppervlakkig gezien.

    Vrijheid is lange tijd misbruikt of ondoordacht gebruikt. Je vergeet zo gemakkelijk dat die vrijheid is omhelsd omwille van het ontmaskeren van leugens en onvrijheid. De wortel van de menselijke vrijheid is gegrond in het nemen van verantwoordelijkheid voor jouw leven, jouw woorden en daden. Paulus herinnert de gemeenten eraan dat zij, nu zij in Christus zijn gestorven en opgestaan, niet langer zondigen. Wie gebruikt nu zijn moeizaam gewonnen vrijheid en verlossing om die vervolgens weer de nek om te draaien (= zondigen). Dat doe je toch niet. Wil ieder die de vrijheid neemt om een ander af te maken in één adem door ook zijn of haar eigen gedrag ter discussie stellen!

    Jezus zegt ons het oordelen van de ander (aan God over) te laten. Je zult zelf gemeten worden met de maat waarmee je een ander meet. Vrijheid ontstaat daar waar je elkaar in de ogen durft te zien en de waarheid onder ogen durft te zien.

    Gerard Knol

    Bij de Tijd – Kerk in de kroeg

    Mijn man en ik mogen graag een biertje drinken met vrienden in de kroeg. Zelfs na afloop van een kerkenraadsvergadering wordt nog wel eens wat nagepraat in de buurtkroeg. De kroeg is een publieke plek waar ontmoeting en ontspanning het uitgangspunt zijn. Groningen, de stad waar wij wonen, bulkt ervan.

    Zo stonden wij op een vrijdagmiddag met vrienden te borrelen in Café Soestdijk aan de Grote Kromme Elleboog. Al snel raakte ik aan de praat met mensen in mijn omgeving en al snel werd er gevraagd wat ik voor werk doe. Wanneer ik zeg dat ik voor de kerk werk fronsen de wenkbrauwen dikwijls. Het is gegarandeerd aanleiding voor een goed gesprek en ook dit keer voelde de jongeman in kwestie zich geroepen om te vertellen wat hij met kerk en geloof heeft. Vaak is het hetzelfde verhaal, wel gedoopt, maar er verder niks mee hebben. Zo ook in dit geval. ‘Oh’, zei ik vervolgens, ‘maar grote kans dat je dan nog wel ingeschreven staat in de kerk’. ‘Welnee’ zei hij, ‘ik heb me nooit over laten schrijven vanuit de kerk uit ons dorp’. Ik zei ‘dat hoeft ook niet, die overschrijving gaat automatisch. Het gaat er om of je je hebt uitgeschreven of niet’. Dat had hij niet. ‘Weet je wat’, zei ik, ‘ik kan het wel even checken’ en ik viste mijn telefoon uit mijn zak en logde via internet in op de administratiepagina van de PGG (Protestantse Gemeente Groningen), waar ik ook werkzaam ben. ‘Ja hoor, je staat erin’, zei ik triomfantelijk. De jongen keek me aan alsof zijn broek afzakte. Gelijk stootte hij zijn vrienden aan om het verder te vertellen. Ze reageerden lacherig. ‘Maar wat zijn jullie namen dan?’, vroeg ik doodleuk. En ook zij bleken ingeschreven te staan. Eén van hen kon een vloek niet onderdrukken. ‘En jullie staan ook nog eens ingeschreven bij ons in de gemeente, dus jullie zijn één van mijn schaapjes’, voegde ik er plagerig aan toe.

    ‘Maar’, legde ik uit, ‘je kunt je uitschrijven als je wil hoor. Dat is voor ons ook handig als mensen die niet ingeschreven willen staan dat doen. Dan krijgen we een beter overzicht over onze ledenlijst’. Ik wilde hun mijn mailadres geven om aan te bieden het te regelen met het kerkelijk bureau. Maar dat hoefde niet. Het was misschien ook wel prima zo.

    Dit tekent de kerk anno 2017. Mensen die er ooit bij hoorden, weten van niets. Haaks daarop staat de ervaring dat juist mensen van buiten de ledenlijst interesse tonen. Bij onze halfjaarlijkse nieuwkomersbijeenkomst meldden zich met name mensen die niet ingeschreven staan. Ook tijdens de twee kinderkerstfeesten en de kerstnachtdienst zat de kerk stampens vol met mensen met diverse achtergronden. Om over de bezoekers van ons nieuwe Stilteportaal nog maar te zwijgen. De tijd van de verzuiling is voorbij. De kerk staat open voor iedereen en kan daarmee een plaats middenin de maatschappij innemen. Zelfs in de kroeg. Zelfs in het dorp. Das ja mooi.

    Niet oordelen

    Als ik over straat loop – maakt niet uit waar – en ik kijk om mij heen dan neem ik (onbewust) heel veel indrukken in mij op. En – ook weer onbewust – ik selecteer of filter een aantal zaken dat mijn aandacht trekt. Dit is de wortel van ‘oordelen’. Je hebt of ontwikkelt ter plekke een soort mening of voorkeur en in negen van de tien gevallen weet je dat niet eens. Het gebeurt. We doen dit ook allemaal. De uitkomsten zijn, echter, allemaal verschillend, omdat we van elkaar verschillen.

    Oordelen wortelt dus in onze natuur van selecteren. We beoordelen de gegevens van onze wereld op hun wenselijkheid voor ons.

    Dat doen we ook met mensen. Er zijn mensen die we toelaten (tot op zekere hoogte). Er zijn mensen die we niet toelaten.

    Waarop is dat gebaseerd? Wetenschappers die menselijk gedrag onderzoeken, hebben ontdekt dat mensen elkaar beoordelen op geur bijvoorbeeld. Dus parfum kan een enorme stoorzender en misleider zijn. Een ‘geurgordijn’ zeg maar. Je laat jezelf niet zien, maar je verbergt jezelf eerder achter een andere geur. Misschien wel uit angst om beoordeeld of veroordeeld te worden op wie je echt bent. Hier dus: zoals je echt ruikt.

    Heel veel beoordeling en veroordeling van mensen is gebaseerd op morele gronden. We horen dat iemand vreemd is gegaan en hup! Een, twee, drie – daar is het oordeel al! Het is een inkoppertje van jewelste. En wat voelt het ook goed en duidelijk om erover te oordelen. Klaar is Kees. Je hoeft verder niks toe te lichten, uit te werken, na te gaan. Je hoeft de persoon en het verhaal niet te kennen en je nergens in te verdiepen. Heerlijk om over iets of iemand een mening te hebben!

    Nu zegt Jezus: je mag niet oordelen! (bijv. Matteüs 7,1-3; zie ook in dit verband Johannes 8,1-11). Dat betekent dus dat je de communicatie naar iemand OPEN houdt en niet vernauwt door een mening of oordeel. De liefde van God leert ons om naar elkaar toe gevoelig te blijven, zacht en welkom. Gelovigen en ongelovigen, zo is mijn ervaring, worstelen er in gelijke mate mee. Kennelijk moeten we hiermee oefenen, totdat we begrijpen wat het inhoudt om niet te oordelen.

    Gerard Knol

     

    Uitzicht vanaf Terschelling

    Vorig weekend was het inspiratiefestival van de PThU en de PKN op Terschelling. Een weekend vol workshops en inspirerende sprekers over verleden, heden en toekomst van de kerk. Een weekend om even uit te waaien en op te laden om vervolgens weer goed gemutst naar huis te gaan. Hoogleraar praktische theologie Henk de Roest droeg daar, evenals prof.dr. Mechteld Jansen en praeses van de synode ds. Karin van den Broeke, aan bij. Een weergave van De Roests betoog over de toekomst van de lokale kerk:

    Waardeer wie je bent en wat je hebt als kerk. Je bent een gemeente van Jezus Christus in de wijk, in je omgeving. Mooi dat die plekken er zijn! Liever meer plekken met minder mensen dan minder plekken met meer mensen. Gemeenten met veel ouderen zijn missionair van en voor ouderen. Nederland vergrijst nou eenmaal en kerken vergrijzen minstens zo hard mee. Maar dat wil nog niet zeggen dat die gemeenten minder van betekenis zijn. Tel je zegeningen: wie er zijn, wie wat doen en dat er geld gegeven wordt. Niet wie of wat er allemaal ontbreekt. En probeer fusies te vermijden. Daarvoor moet je meer inleveren (bijvoorbeeld wat goed gaat) dan het oplevert.

    Houd in de gaten waartoe je geroepen bent als gemeente; waar je goed in bent en van welke betekenis je kunt zijn. Staar je niet blind op plannen en modellen, die zijn handig als hulpmiddel maar moeten geen doel op zichzelf worden.

    Stimuleer geloofscommunicatie. Creëer gelegenheden tot het voeren van geloofsgesprekken of laat gemeenteleden vertellen over hun motivatie bij bijvoorbeeld een doop of een huwelijk. Deze verhalen kunnen zeer bemoedigend zijn voor anderen. Beschouw pastoraat, uitvaarten, huwelijken, doopdiensten etc. als missionaire momenten waarin het zijn van een kerkgemeenschap tot uiting kan komen ten overstaande van mensen die anders niet naar de kerk gaan.

    En tot slot, investeer in mensen. In vrijwilligers (verwen ze!), in professionals, in uitbreiden van predikantsplaatsen, in ontmoetingsmomenten. Drink daarom elke zondag koffie met elkaar. Maar organiseer ook doordeweeks koffiemomenten. Er is veel eenzaamheid onder ouderen, maar bijvoorbeeld ook onder jonge moeders die met zwangerschapsverlof zijn. Finance follows vocation, ofwel de financiën volgen op een bepaalde roeping. Als je als gemeente visie hebt om bijvoorbeeld een keuken aan te schaffen, dan komt het geld er wel, op welke manier dan ook (sponsorlopen, extra collecte, fondsen). Waar mensen gemotiveerd zijn voor een concreet doel, daar wordt er alles aan gedaan om het geld bij elkaar te krijgen.

    We hadden even een heel ander uitzicht vanaf Terschelling.

     

    De kerk in generaties

    Misschien had u het al door maar de kerkgemeenschap in brede zin van het woord bestaat uit vele generaties. Dat is ook de charme van de kerk, want het is niet aan leeftijd gebonden, noch aan geslacht, beroep, status, toewijding, nationaliteit, hobby’s, sportiviteit etc. De kerk is er voor iedereen. Het brengt sinds jaar en dag, zo niet sinds eeuw en decennia, mensen van alle soorten en maten samen onder één dak. Tot zover niets nieuws.

    Tegenwoordig leven we in een tijd dat we, naast bovengenoemde verschillen, te maken hebben met bijzonder veel verschillen tussen generaties. Er is de oudste generatie die bij wijze van spreken wekelijks met het hele gezin, die uit vele broertjes en zusjes kon bestaan, in hetzelfde water gewassen werden in een tobbe in de keuken. En er is de jongste generatie die bij wijze van spreken met een IPhone in de hand geboren worden. Er zijn generaties die de oorlog hebben meegemaakt, met aan alles een groot gebrek, en er zijn generaties die zich niet voor kunnen stellen dat de voorraadkast leeg is.

    Nu, deze verschillen gelden niet alleen voor de hierboven beschreven ervaringen, maar ook voor ervaringen met de kerk. Er is de generatie van pak ‘m beet tachtig plus, opgegroeid met rust, reinheid en regelmaat, waarbij de zondagse kerkgang vast onderdeel is van de weekstructuur. (Ik laat de verzuiling even achterwege in het belang van het woordenaantal.) Er is de generatie van zestig plus, die vele leeftijdsgenoten hebben zien afhaken van die kerkgang en nu met weinig schouders de kerk draaiende proberen te houden omdat de generatie van ongeveer veertig plus een hele dunne spoeling is die bovendien druk bezet is met werk en gezin. De zestig plus generatie zoekt naar overdracht en aflossing maar vindt dat natuurlijk maar mondjesmaat. Ondertussen komt de twintig plus generatie, opgegroeid in Samen op Weg-gemeentes dan wel weinig onder de indruk van de kerkverlating van decennia eerder, fluitend de kerk binnen op zoek naar inhoud en gemeenschap.

    De oudste generaties denken: ‘Het wordt niks meer met die kerk, ik zie alleen maar grijze koppen, het dooft allemaal uit’. Terwijl de jongste generaties blij zijn met een beetje verdieping in hun leven. Ondertussen zijn de zondagse kerkdiensten vormgegeven door die oudere generaties met een invulling die niet altijd te volgen is voor jongere generaties. En waar de oudere generaties opgegroeid zijn met rust, reinheid en regelmaat, zijn de jongsten dat met vrije keuze, onregelmatigheid en elke dag douchen. Wat betekent dat die jongeren net zo vrolijk fluitend naar een andere kerk lopen of wat langer onder de douche blijven staan op zondagochtend.

    Conclusie, geloof zit in elke generatie evenzeer. Zoeken naar verdieping en gemeenschap is van alle tijden. Alleen daar waar vroeger velen ook naar de kerk gingen als ze niet geloofden, gaan tegenwoordig velen niet (elke zondag) naar de(zelfde) kerk als ze wél geloven.

    Tot slot, kerkwerk kan hierdoor bijzonder frustrerend en ontmoedigend zijn. Maar trek nooit de conclusie dat jongeren geen interesse in kerk en geloof hebben. Ze zoeken alleen hun eigen wegen. Dat is nou eenmaal een eigenschap van hun generatie(s). Wil je hier vat op krijgen, nodig dan een tiener, twintiger, dertiger of veertiger uit bij je kerkwerk en sta open voor zijn/haar verhaal. Zo zullen jullie vanzelf op nieuwe ideeën komen. Is de moed je al in de schoenen gezonken? Dan wordt het misschien tijd een poosje te gaan consumeren. Sit back and relax, zouden de Amerikanen zeggen.  Niks mis mee. Je zult zien dat de gaten zich wel opvullen, of dat het werk op een andere manier wordt voortgezet (door een nieuwe generatie). In welk geval ook, vrolijk of verdrietig, moe of vol energie, de handjes vouwen kan altijd. En dat geeft Vertrouwen, wat de toekomst ook brenge moge.

    —————————————————————

    Een boom geplant aan waterstromen

    De eerste psalm begint niet met God, maar met de mens.

    Het (lof)lied dat wij zingen gaat niet in de eerste plaats over God.

    (Ik leg er maar even de vinger bij en knipoog naar u.)

     

    Gelukkig de mens!

    Jaaaaaaaa!!!!! Dat willen we: gelukkig zijn!!!!!!!

    Ok, vertel: hoe kunnen wij gelukkig worden?

    (We zijn zo vatbaar voor recepten die ons de juiste samenstelling en werkwijze kunnen leren en anders wel voor mensen die ons kunnen vertellen en voordoen hoe we daar kunnen komen.)

     

    Gelukkig de mens

    die niet meegaat met wie kwaad doen,

    maar vreugde vind in de wet (Thora) van de Heer.

    Hij zal zijn als een boom,

    geplant aan stromend water.

    Op tijd draagt hij vrucht,

    zijn bladeren verdorren niet.

    Alles wat hij doet komt tot bloei.

    boom

    Klinkt mooi, maar zo is het leven niet, hoor!

    Het valt vies tegen: wie goed doet, goed ontmoet.

    Je snapt waarom de meeste realisten in de praktijk ook cynisch zijn.

     

    De psalm stelt ons de vraag: wie wil je zijn?

    Ze maakt er géén sprookje van: als je wilt zijn als deze boom, zul je moeten drinken uit de stroom van levend water.

    Jezus zegt tegen de vrouw bij de bron (Johannes 4,14) dat het water dat hij geeft een bron creëert in de mens die water produceert dat eeuwig leven geeft.

    In deze psalm gebeurt met de gelukkige mens ook zoiets: hij wordt een bron van goeds voor iedereen.

     

    We willen graag gelukkig zíjn en daarom menen we manieren te moeten vinden om het te wórden.

    Maar we hebben geen idee wat we moeten doen!

    Sowieso – dat we er iets voor moeten dóen, staat ons al tegen. We willen het graag zíjn.

    Ook het idee dat we het zélf moeten doen, staat ons tegen, want we hopen (en bidden) dat God (en anders onze partner) het voor ons zal doen.

    (Natuurlijk – het zijn karikaturen die ik even snel en gemakkelijk neerzet, maar scherven, splinters ervan zwerven in ons vlees en zorgen voor ontstekingen, zwerven in onze geest en zorgen voor blinde vlekken, kortsluitingen.)

    Maar dat we het bereiken met een consequente focus op Gods pamflet van het goede leven (de Thora, de tien woorden – dag en nacht!) – wie gelooft daar werkelijk in? En toch kun je ook in hedendaagse bladen als Happinez lezen dat je schept wat je werkelijk gelooft. En als we er niet echt in geloven, scheppen we ook een wereld waarin we niet geloven.

    De psalm zegt: wie erin gelooft en eraan gaat staan – die is gelukkig, zalig, godzalig!

    En wie er niet in gelooft, die waait in elke richting waarin de wind waait. Die verwaait als kaf in de wind.

     

    Tot slot: Gods visie is niet te zwaar, te hemels en ligt niet buiten ons bereik (Deuteronomium 30,11).

    Je staat voor de keuze tussen voor- en tegenspoed, tussen leven en dood (Deuteronomium 30,15).

    Kies voor het leven, voor jouw toekomst en voor die van jouw kinderen en kleinkinderen door God lief te hebben en de naaste als jezelf (naar Deuteronomium 30,19 en 20).

     

    Ik wens jullie allemaal een goeie bezinning in de vakantie.

    Gerard Knol

     

     

    Een nieuw begin

    Het is nog vroeg in de morgen. Janneke ligt nog in bed naar ‘vroege vogels’ te luisteren. Ik bedacht dat ik voor morgen nog een stukje moest schrijven. Nu is een goed moment.

    Het is stil. Mijn eerste gedachten gaan uit naar de dienst van vanmiddag. Steeds weer repeteren in mijn hoofd: wat ga ik zeggen. Nee, loslaten. Sterke beelden: zó moet ik het zeggen, dát moet ik zeggen. Nee, loslaten. Wat zou het mooi zijn om allemaal volledig stil te zijn bij zo’n gelegenheid. Geen koorts, geen drukte. Diep stil.

    Gisteren waren wij even op het strandje bij Hoog Watum. We keken naar het water. Is het nou eb of vloed? De wind deed het lijken of het afnemend tij was. Toen bedacht ik dat we ons op een steen moesten concentreren die zo goed als onder water stond. Hij kwam steeds verder onder water te staan. Opkomend tij dus. Een zeehond stak als een zwart veegje zo nu en dan zijn snuit boven water. Wat is het? Is het een zeehond? Een beetje dichterbij. Waar is hij nu?

    Het is stil hier. In Reduzum was het ook stil. Maar anders dan hier. Ik vermoed dat er zoveel verschillende stiltes zijn als er plekken op aarde zijn. En mensen.

    Een tijdje terug zag ik de film ‘An’ – een kortere titel is niet mogelijk. Ik zal niet uitweiden over het thema van de film. Er komt een oude vrouw in voor. Zij is niet de hoofdpersoon. De hoofdpersoon is een man. Zij roept wel de vraag op: wie is eigenlijk de hoofdpersoon? Doet dat er wel toe, weten wie de hoofdpersoon is? Zij merkt op een bijzonder moment op: we zijn er om naar de wereld te luisteren. Als je naar de wereld luistert, maakt het niet meer uit of je geslaagd of mislukt bent in het leven.
    De mooiste momenten zijn de momenten waarop je jezelf volledig ‘vergeet’. Het zijn de momenten waarop je volledig kunt herstellen van alles wat je uit je evenwicht – wat dat ook moge zijn – brengt. De stilte die jou in zich opneemt, het bestaan dat je wiegt op haar golven. Alleen maar bestaan, zijn.

    Vanmiddag zal het gaan over Mozes die God vraagt om zijn heerlijkheid te mogen zien. De profeet Elia maakt iets vergelijkbaars mee als wat God Mozes aanbiedt. In 1 Koningen 19 wordt het proces waarmee God voorbij komt, beschreven. Uiteindelijk is er een ‘stem van een zachte stilte’ (vs. 12). Dat is het moment waarop Elia met omwonden gelaat uit de rotsspleet stapt. Het is het moment van goddelijke aanwezigheid. (Een mooi woord dat zegt dat God ‘aanweest’,  tot zijn komst.) In de stilte dus, niet in het geweld van een onstuimig gebeuren (dat aan het moment vooraf ging).
    Ik kan alleen maar hopen dat wij zo vertrouwd met elkaar worden dat we stil kunnen zijn met elkaar en dat we de stem horen die ons vraagt: waarom ben jij hier?

    Ik wil jullie ook allemaal hartelijk danken voor de blijken van welkom die op mij zijn afgekomen de afgelopen tijd. Dat waren er zeer veel op allerlei manieren. Er is warmte in de stilte en andersom. Hartelijk dank daarvoor!

    Gerard Knol

     

     

    Column Anne

    Stel, iemand vraagt aan een dominee, ‘…wat voor werk doet u?’ En stel dat hij of zij dan ‘dominee’ antwoordt, dan loopt hij vaak tegen een muur van vooroordelen op. Een muur die de kerk in het verleden overigens mede heeft helpen opbouwen. Om die muur te omzeilen zou hij of zij voortaan het volgende kunnen antwoorden:

    ‘Wel, ik werk voor een wereldwijde onderneming. Deze onderneming heeft vestigingen in vrijwel alle landen van de wereld. In de meeste landen meerdere vestigingen per stad, per dorp. Wij inspireren ziekenhuizen, verzorgingshuizen en hospices tot zorg, in plaats van tot winst. Wij inspireren ook scholen, zowel in het basis- als voortgezet onderwijs, het middelbaar en hoger beroepsonderwijs, universiteiten, zodat hun leerlingen en studenten verantwoording dragende burgers worden, in plaats van onderlinge concurrenten. Wij bieden oudereneducatie- en opvoedingsprogramma’s. Wij begeleiden jonge mensen, die besloten hebben om te trouwen, op weg naar het huwelijk. Wij ondersteunen jonge ouders bij het opvoeden van hun kinderen. Je kunt bij ons muzikale vorming krijgen. Wij hebben voedselprogramma’s. Wij steunen mensen, die het zowel materieel als geestelijk zwaar hebben. Wij geven stervensbegeleiding aan mensen gedurende hun laatste dagen en uren. In feite zorgen wij voor mensen van wieg tot graf.

    Iedere week organiseren wij een feest waarin referaten gehouden worden. Bij de ene vestiging duurt dat referaat een kwartier, bij een andere vestiging drie kwartier. Tijdens dit feest krijgt u spontaan zangles, bieden we u meditatieve momenten aan. Dankzij dit wekelijkse feest ontwikkelen de feestgangers vriendschappen, en na afloop gaan ze goed gemutst de nieuwe werkweek tegemoet.’

    De mond van de vragensteller  zou wagenwijd openvallen: ‘Wow, hé! Hoe organiseren jullie dat?’

    ‘Nou, mensen doen dit vrijwillig. In die vestigingen komen mensen met allerlei verschillende gaven en talenten. Zij dragen allemaal hun steentje bij. De een schenkt na afloop van het feest op vriendelijke wijze koffie. Kort voordat het feest begint heet de volgende – even vriendelijk – mensen welkom, zodat nieuwe feestgangers zich snel thuis voelen. Anderen vertellen kinderen spannende verhalen, of laten ze knutselen. Zij moeten weliswaar het referaat missen, maar de ouders van deze kinderen dan weer niet. Weer anderen zorgen voor het onderhoud van het feestgebouw. We vragen en dagen mensen uit om bestuurlijke verantwoordelijkheid te nemen. Deze mensen noemen wij ambtsdragers. Zij dragen een ambt voor een aantal jaar, en dan neemt een ander het weer over.’ ‘Tja, zo organiseren wij dat.’

    ‘Wow, wat een goede interessant onderneming, hoe heet het eigenlijk?’

    ‘De kerk. ’

    (Met dank aan ds. Cor Baljeu)

     

     

    A-D-A-D diensten (1)

    Hij vroeg mij of ik in zijn plaats iets wilde schrijven. Hij moest namenlijk een blog schrijven en had geen idee hoe dat moest. Ik ook niet, dus… het wordt waarschijnlijk niets, maar dat is niet mijn probleem, maar het uwe wel 🙂 ha ha?

    Eerst zal ik mij even aan u voorstellen. Ik ben Kees, een doodgewone zwerver uit Groningen. Ik ben iemand waar u gewoonlijk aan voorbij loopt. Vroeger, ja, toen was ik lid van de Rotary en zat ik een clubje van de universiteit waar ik jaren geleden een soort ‘bloedband’ mee had opgebouwd. Mensen die het heel goed met elkaar getroffen hadden. Toen het met mijn leven echt mis ging ben ik er uit gezet en heb ik bijna al mijn zogenaamde ‘belangrijke vrienden’ verloren. Ik was niet meer interessant, er viel niets meer aan met mijn naam te verdienen. Ik geloofde in dat soort verbanden, maar… flauwekul is het gebleken, luchtballonnen strategie, verbanden waarbinnen het, als het er echt op aan komt, nergens over gaat. Maar goed dat doet er verder niet toe. Mijn gezin is ook naar de klote. Mijn schuld zeggen ze, dat snap ik ook wel, maar toch… ik moet nu een stukje schrijven, ik heb het hem beloofd. Ik kon wel gek zijn geweest toen ik het hem beloofd had, maar ik ga er wel voor, ik doe wat ik beloof…

    Kort geleden, ik had een sentimentele bui, kwam ik op zondagmorgen een kerk binnen. Wat een rare bedoeling is dat eigenlijk, ‘kerk op zondag morgen’. Een gebouw, oudere mensen, mooie en vaak dure auto’s, vriendelijke lui die allemaal aardig tegen elkaar doen, alsof ze elkaar kennen?

    Ik naar binnen. Dat had ik hem beloofd, hij vindt dat belangrijk en ik vind hem belangrijk dus…. ik doe voor hem wat ik hem beloof.

    Kom ik binnen, de hele zaal zit vol, nou ja vol? Ik weet ook niet of je dat een zaal mag noemen, misschien heet het wel anders?

    En wat doe je dan eerst? Juist, je groet alle mensen, dus … ‘hoi, goeie morgen’, de mensen kijken achterom. Nou daar sta je dan, ik zag alle ogen op mij gericht, vroeg mij af of ik iets verkeerds had gezegd, maar niemand zei iets terug. Ik hoorde wel wat gemurmel, maar daar bleef het dan ook bij. Ondertussen merkte ik dat de organist ophield met spelen.

    Nu ben ik niet iemand die dan stil valt, een vriend van mij doet dat wel, als het spannend wordt zegt hij geen woord meer, maar ik niet. Door te praten hou je de regie in eigen hand, dus ik klets maar wat door. Hallo, zeg ik zo, dit is toch een godshuis? Hier kunnen wij God toch ontmoeten? Dat had mijn vriend namenlijk gezegd. ‘In zijn woord ontmoet je God’ zoiets zei hij. Niemand zei iets terug toen ik die vraag stelde, dus ik dacht bij mij zelf… hardop natuurlijk, dat snapt u wel…, dan ga ik nog maar even door. ‘Stel u voor dat ik hier werkelijk God kan ontmoeten?’ Ik keek wat rond en had de indruk dat de mensen die daar zaten geen idee hadden van wat ik zei. ‘Stel je voor…. wij ontmoeten hier God, hier in deze zaal? Kan ik dan zomaar naar binnen lopen? Met m’n oude kloffie aan, ongepoetste schoenen, ongeschoren, en ongedoucht?’ Douchen kan ik natuurlijk ook niet elke dag. Douchen kan bij het leger des Heils, maar daar moet je wel wat voor betalen.

    ‘Als ik hier God zou ontmoeten, dan mag ik, als ik dat serieus geloof, en dat doe ik, eerst wel eens mijn knieën buigen. God is toch veel groter, of grootser, dan ik? Wie ben ik eigenlijk dat ik zo maar binnen mag komen op een plaats waar ik God kan ontmoeten? Wie bent u eigenlijk dat u zomaar daar kunt gaan zitten, in uw nette pakje en uw probleemloze bestaan, of is uw bestaan wel zo probleemloos? Wie denkt u wel niet dat u bent? Zou het ons niet beter passen eerst maar even buiten te blijven, is uw tempel nog wel zo’n tempel?’

    Ik kan niet al te veel tekst aan leveren, het vervolg komt de volgende keer. Afz. Kees.

    vervolg 2

    Daar sta je dan, een zwerver als ik, moet u zich voorstellen. U bent een nette kerkganger en dan staat daar ineens zo’n figuur en die stelt ook nog een vraag. U zit niet bepaald op een vraag te wachten, nee sterker nog u hebt net uw plaats gevonden, uw vaste plaatsje, daar ben je zo aan gewend, toch? Gaat die zwerver in gesprek met een van ons en vraagt of wij hier God kunnen ontmoeten. Welke God?

    Mijn vriend vertelde mij over God. Ja, zo zei hij, dat is een barmhartige God. Barmhartig, wat is dat? Nou, toen kwam zijn verhaal. Een beetje ingewikkeld is het wel, maar ik geef het toch maar door want ik voel wat hij bedoelt en het sprak mij eerlijk gezegd ook wel aan. Hij vertelde het volgende.

    Kijk, Kees, het woordje ‘Barmhartigheid’ komt oorspronkelijk uit de Aramese taal. Dat wordt tegenwoordig nog gesproken in landen als  Libanon, Syrië, Irak en Turkije. Het woord ‘Barmhartig’ is de vertaling van het woord ‘Rakhmana’, dat gaat terug op het woordje ‘Rekkem’. Dat woord betekent ‘baarmoeder’. De betekenis van de baarmoeder is, dat zij er enkel is omwille van het andere dan zijzelf. Of anders gezegd, de baarmoeder is er om het andere te dragen en kans te bieden tot zelfstandig leven uit te groeien. Zo wordt God in de Bijbel, in prachtige verhalen beschreven. Nu staat genesis wel voorin maar die verhalen over God beginnen eigenlijk met het boek Exodus, vertelde hij. Dat boek Exodus is een bevrijdingsverhaal. Slaven worden door God bevrijd.

    Ik hoop dat u ook snapt wat hij vertelt. Ik vroeg hem, wat de kerkdienst daar nu mee te maken heeft? Nou, kijk, Kees, in die kerkdienst leren wij van die verhalen. Wij denken daar samen over na, spreken daarover. In zo’n kerkdienst vieren wij de liturgie. Vieren…, het lijkt mij een saai gebeuren. Ik probeer er meestal wel een feestje van te maken, was zijn reactie. Kijk, wij vieren op zondag dat wij geen slaven zijn. Wij vieren samen een strijd tegen de eenzaamheid en tegen de illusie van het individualisme. Onze vieringen zijn oefeningen. Het ‘jagen en hollen’ van iedere dag stopt, wij staan even stil, het is een moment van bezinning rond de vraag waarom en waartoe wij bezig zijn. De kerk vormt een tegenbeweging. Ons vieren is ook een protest tegen de slaafse mentaliteit waardoor zoveel mensen aan elkaar en aan zichzelf voorbij lopen, er moet zoveel en wij willen zoveel. Protest tegen het zo nodig moeten presteren, de dwang van de economische machten.

    Zo, ik heb al weer genoeg geschreven, ik hoop dat jullie dit een beetje kunnen volgen. O ja, nog even dit. Ik had de vorige keer gevraagd of je nu zo maar binnen kunt komen en kunt gaan zitten waar je wilt. Is die plaats daar niet te heilig voor. Moeten wij niet eerst ‘op de knieën’?

    Er stond een vrouw voorin de kerk, die deelde blaadjes uit, ‘weekbericht’ bleek achteraf, ze zei tegen mij: ga nou maar gewoon zitten, dat vindt God wel goed, hij is barmhartig. De dienst begon met een loflied, ook voor mij is hij barmhartig. Ook voor mijn gezin, wie weet waar ze zijn, hoe zou het met ze gaan, zouden ze nog wel eens aan mij denken…. God…. barmhartig… daar kon ik het eigenlijk al wel mee doen. Het emotioneerde mij.

    Nou mensen, mazzeltof en de groeten van Kees, tot de volgende keer.

    vervolg 3

    Dag, daar ben ik weer. Mijn vriend trok mij aan de mouw met de vraag of ik al weer wat had geschreven. Nu moet ik eerlijk zijn, eigenlijk heb ik niet zoveel zin om iets te schrijven. Vanmorgen zat ik al vroeg op een muurtje aan de oostkant van de kerk. Slecht geslapen vannacht, stervenskoud man. Ja, ik had wel bij het leger kunnen slapen, daar had ik wel geld voor, maar ja. Toen ik daar was kwam ik Jolanda tegen. Zij wilde ook slapen, maar ze was een tikkeltje aangeschoten en als je dat bent kom je niet naar binnen. Nu ken ik haar heel goed en een vriend is een vriend, dus wat doe je dan. Precies, ik ben bij haar gebleven. We zijn naar het hockeyveld gesjouwd. Daar zit een gat in het hek en als je daar door kruipt kan je onder een bank op het kunstgras slapen, dat isoleert in ieder geval nog een beetje. Zo zijn we de nacht door gekomen. Nu zit ik hier. Helemaal warm werd ik pas nadat ik hier de dienst heb meegemaakt. Als ik hier ben schuif ik altijd gewoon aan, wel een beetje achterin, maar niemand die mij wegstuurt. Er komen hier nette beschaafde mensen. Ik zit hier voor de warmte, soms is er ook nog koffie. Toch doet het mij wel wat, ieder keer weer opnieuw. Vanmorgen was ik kapot van het Kyrie. In het kyriegebed gaat het vooral over mijzelf, het is een soort spiegelgebed waarin mijn eigen leven centraal staat. Waarin ik mijzelf tegenkom. Mijn hele leven schoot voorbij. In een minuut kan je een eeuwigheid denken, dat weet je wel.

    Mijn eigen leven, wat een puinhoop. Som kan ik het mij wel voorstellen dat mijn vrouw van mij af wilde, beter gezegd van mij af moest. Mijn cynisme, m’n denigrerende bagatelliserende vernederende opmerkingen, m’n altijd beter weten, mijn onverantwoorde financiële ‘avontuurtjes, mijn vrije weekenden voor mijzelf die ik zogenaamd zo nodig had, mijn smoezen om niet mee te hoeven naar de wedstrijden van mijn kinderen. Al die momenten waarop ik mijn vrouw er alleen voor op liet draaien; al mijn angsten, mijn behoefte om er ook bij te horen, bij de ‘hanen’ uit mijn omgeving, de jongens die slimmer waren dan ik, die het allemaal al wel min of meer gemaakt hebben… ik kan het mij voorstellen dat ze van mij af moest, nou ja… eigenlijk heb ik haar leven kapot gemaakt, shit, daar baal ik zo van. Er is geen weg terug. Ik zou in dat kyrie alles uit mijn leven kunnen inschrijven en daarmee mijn hele leven kunnen uitschrijven. Ik heb van de rest van de dienst niet meer zoveel meegemaakt. Geen idee waar de dominee het over heeft gehad, vanuit een automatisme heb ik meegedaan met de eucharistie. Je krijgt iets van een ander en je geeft het aan een ander door, ik sta er dan tussen in. Mensen die naast mij staan zijn moedig, je zult maar een stukje brood moeten aanpakken van een zwerver als ik. Misschien ruik ik ook niet al te fris, ik ruik mijzelf niet maar heb er wel een idee bij. Toen ik de kerk uitliep kon ik nog een liturgie bemachtigen. Daarin staat een lied in van Huub Oosterhuis. Ik heb het al een aantal keren gelezen: ‘…Voor mensen die van U verlaten zijn, voor allen die hun lot niet kunnen dragen, voor hen die weerloos zijn in de handen van de mensen. Voor uw naamgenoten in ons midden: vluchtelingen, vreemden, wees niet niemand… Als ik er goed over nadenk, het goed lees…. Mijn vrouw was er kapot van, zij kon haar lot niet dragen, zij was weerloos in mijn ‘handen’ en in haar mijn kinderen. Hoe heb ik dat in Gods naam allemaal kunnen flikken, hufter die ik ben. In de kerk zeggen ze dan ‘kyrie eleison’ dat is ‘God ontferm u’. Daar zit wel een heel leven achter. O ja, het kyrie wordt afgesloten met een gloria. Het gebeurt eigenlijk in één vloeiende beweging, de organist pakte dit vanmorgen prachtig op. Troost vanuit het orgel. Werd het kyrie nog gespeeld in mineur en met zware bassen gevuld, in het gloria komen de hoogste tonen. Alsof engelen neerdalen en je meenemen naar boven. Ja, da’s muziek, maar dat is ook het refrein in zijn lied: ‘Gedenk uw mensen, dat zij niet vergeefs geboren zijn. Omdat Gij het zijt, groter dan ons hart die mij hebt gezien, eer ik werd geboren…’

    Tot de volgende keer. Kees.

    vervolg 4

    De opening van het woord

    Hallo, daar ben ik weer. Inmiddels uit het ziekenhuis ontslagen, daar houden ze mensen zoals ik niet zo lang, of het moet al heel erg zijn, maar dat was het niet. Ik heb van de week weer bij het leger geslapen, ook wel weer eens lekker, kan je je fatsoenlijk wassen en goed eten. Eergisteren had ik een gesprekje met de baas van ‘t spul, Mark. Ik vroeg hem waarom hij dit werk deed. Hij keek mij aan, keek de andere kant uit, keek mij weer aan. Ik had het gevoel dat ik hem een goede vraag had gesteld: ‘Waarom werk je hier eigenlijk, je bent een slimme vent en volgens mij kan je met die slimheid buiten het leger meer verdienen dan hier tussen deze muren.’ Maar ja, het is niet handig om aan slimme mensen dit soort vragen te stellen want je krijgt het altijd dubbel zo hard weer terug! Nou ja, hard? Hij vertelde dat hij ooit een verhaal over Jezus had gelezen waarin Jezus een vraag aan een man stelde: ‘Wat wilt gij dat ik doen zal?’ en die vraag heb ik mij zelf ook gesteld. Stel jij je die vraag wel eens?

    Wouw, bingo, dat kwam aan. Ik heb hem geen antwoord gegeven, maar heb mij omgedraaid en ben de stad in gelopen. Juist die vraag hield mij, vooral tijdens en na de ziekenhuisopname erg bezig. Niet precies zo, maar wel ongeveer in dezelfde vorm. Twee dagen later was het zondag en buiten was het koud en guur. Ik ben toen de kerk maar weer binnen gestapt, in ieder geval een plek waar ze je niet wegsturen en per slot, ik ben inmiddels al een bekende voor de koster. Waar het in de dienst over ging weet ik niet meer maar de dominee vroeg in een gebed of God ‘zijn woord voor ons wilde openen’. Hij zei, ‘wij doen wat met uw woorden maar doe ook iets met ons’. Nogmaals, waar het over ging weet ik niet meer, ik begreep er ook niet zoveel van. Het woord van Mark bleef bij mij hangen. Dat woord deed wat met mij. Ik analyseerde ieder woord, maar dat opende ook een hele geschiedenis met alle gevoelens die daar bij horen. Toen ik de kerk uitging, nadat het brood was gedeeld, bleef ik wat hangen rond het station. Wat wilt gij dat ik doen zal? In een flits zag ik een van mijn kinderen de trein instappen. Ik dacht dat het een van hen was en zie ze wel eens vaker, althans figuren waarvan ik dan denk dat ze dat zouden kunnen zijn, of dat ze er zo zouden kunnen uitzien. Wat zouden zij willen dat ik doen zal? Hoe zou het met hen zijn? En met mijn ex-lief? Zou er echt geen mogelijkheid zijn om terug te gaan om iets meer van mijn leven te maken dan wat ik er nu van maak? Hoe zou het met m’n broer zijn, met m’n zus, wat zouden zij willen dat ik doen zal? Kan ik niet veel beter een lekker biertje pakken dan mij druk maken over dit soort vragen. Vergeet die vragen, stom gedoe.

    Ik loop het station uit, op weg naar de markt. Toch… als ik er goed over nadenk zit ik toch wel stevig in de shit. Misschien wel waar… ‘eigen schuld, dikke…’ of toch niet helemaal .? Laat ik het maar bij me zelf houden. Ik had de dingen wel iets anders kunnen doen. Laat ik daar maar eens mee beginnen.

    Wat zouden zij willen dat ik doen zal? Zou er nu echt niet iemand zijn die mij kan helpen? Ik ben terug gegaan naar Mark. Een heel klein beetje begin ik die dominee te snappen. Ik doe iets met het woord van Mark, maar dat woord van Mark doet ook iets met mij. Hij was er niet, ik kon wel op hem wachten, vanmiddag kwam hij weer terug. Nou, tijdens dat wachten… er kwamen veel mensen , sommigen zeiden iets tegen mij, maar ik had geen zin in allerlei verhalen. Die woorden van Mark bleven mij bezig houden…..

    Eindelijk, daar was hij dan. Het was al laat in de middag, hij had haast. In notendop vertelde ik hem wat ik zoal bedacht had. Hij keek mij aan alsof ik een andere taal sprak. Eindelijk had ik verteld wat ik wilde vertellen en alle vragen benoemd die zijn woorden bij mij hadden opgeroepen. Uiteindelijk viel ik stil. Mark keek mij aan. De tekst, zo vertelde hij, komt uit het verhaal over de genezing van de blinde man. Die wilde weer zien! ’Kom op Kees, blijf hier vannacht maar slapen, morgen is er veel werk aan de winkel. We gaan hard aan de slag.’

    Hij keek mij aan, gaf mij een dreun op mijn schouder, draaide zich om en liep weg. Tot morgen Kees. Wouw.

    vervolg 5

    Nou, daar ben ik weer. U hebt natuurlijk het verhaal wel gelezen dat mijn vriend over mij in het laatste kerkblad geschreven heeft. Dat was zo rond de kerst. Hij zat toen naast mij op het muurtje bij het museum. Wat zal hij het toen koud gehad hebben. Ach, mijn vriend is, als het er op aan komt, niet zoveel gewend. Ik ben wat meer gehard. Niet dat ik daar trots op ben, integendeel. Hard wordt je wel in het zwerverswereldje. Letterlijk en figuurlijk. Het vet gaat er wel vanaf en ook binnen onze zwerverswereld bestaan haat, nijd en concurrentie. Als ik die boterham niet pak dan pakt een ander hem, dus…

    Maar dat verhaal wat hij schreef, daar wil ik wel iets over zeggen. Het ging er over dat mijn dochter mij gevonden heeft en dat ik op kerstavond in haar een engel ontmoet heb. Mijn vriend heeft wel eens gezegd dat ‘Gods handen onze handen zijn en omgekeerd’. Volgens mij klopt dat wel. Die uitspraak heeft hij trouwens van mw Sölle uit Duitsland. Het gekke is dat ik, nu ik aan het schrijven ben, er achter kom dat ik eigenlijk wel heel veel te vertellen heb. U raakt voor mij ook langzamerhand een beetje vertrouwd. Het is alsof ik u een beetje leer kennen. Maar dat is natuurlijk maar mijn gevoel, dat zit tussen mijn oren.

    Weet u nog dat ik was blijven ‘hangen’ in een verhaal van Mark over Jezus die de vraag stelde: ‘Wat wilt gij dat ik doen zal?’ Die vraag houdt mij nog steeds bezig. Vooral na de ontmoeting met mijn dochter. Zo beleef ik dat nog steeds. Dat zij mij gevonden heeft betekent veel meer dan ik hier kan beschrijven.

    In ieder geval, ik heb haar gebeld en gevraagd wat zij er van zou vinden als ik contact zou zoeken met mijn ex. Ook, hoe ik dat eventueel het beste zou kunnen doen. Wel heb ik er bij gezegd wat dat contact dan voor mij zou betekenen. Ik moest daar wel even over nadenken, nou ja…. even… even heel lang. Ik zou dan mijn excuses willen uitspreken en het helemaal bij mijzelf houden. Niets gaan verwijten. O ja, ik zou haar ook een hand willen geven en haar aankijken, maar vooral niet meer. Daarna zou ik dan gewoon weg willen gaan. Ik kan haar niets bieden en mag niets van haar verwachten. ‘That ‘s it’, iets anders zou te veel zijn. Of, dat is natuurlijk een andere optie, mijn dochter zou dat ook kunnen zeggen. Ik zou een kort briefje kunnen schrijven… het gaat uiteindelijk om de boodschap. Dat is de kern van wat ik de afgelopen tijd bedacht heb en wat mij bezig houdt. Ik had dit natuurlijk allemaal vele jaren eerder moeten bedenken, maar het is gegaan zoals het gegaan is. Ik was iemand die de oorzaak van problemen tot in detail buiten mijzelf legde. Het lag altijd aan de ander, nooit aan mij. Ik wist het ook altijd beter, deed het beter, had altijd gelijk. Naar mate ik meer gelijk had/nam/kreeg, de ander onzekerder werd óf… mij gelijk ging geven om maar van de discussie af te zijn. Maar ja, met het grootste ‘gelijk’ kan je tegelijk het grootste ongelijk hebben. Dat moet ik tot mijn schade en schande bekennen. Dat valt me niet mee.

    De dominee bad om ‘de opening van het Woord’. Nou, dat heeft mij geopend, kan ik u verzekeren. Het heeft me tranen gekost, maar er was een engel die mij gevonden heeft. O ja, nog even iets anders. Er was nog een engel…. Mark, de ‘baas’ van het leger, ‘de generaal’ noem ik hem met een enorme knipoog.

    ‘Wat wilt gij dat ik doen zal…’? …..Ik ben voor mijzelf gaan zorgen. Via ‘hergebruik’ en een kleine financiële lening van Mark. Hij mag dat officieel niet doen, maar hij gelooft in mij. Van dat geld heb ik wat nettere kleren gekocht. Ik ben op de bonnefooi op allerlei bedrijven afgestapt en heb me aangeboden met de vraag of ze het met mij zouden willen proberen. Bij het vierde bedrijf was het raak. Nu heb ik een contract voor een half jaar als vuller van magazijnstellingen. Ik kom wel uit dit dal. Het zal mij lukken, al was het alleen al voor mijn dochter. Let maar op, het komt helemaal goed.

    Mijn blad is bijna vol. Ik heb mijn vriend gevraagd of ik ook een verhaal in het kerkblad mag schrijven. Dat mag. In dat verhaal zal ik iets uitgebreider ingaan op wat mij  is overkomen.

    vervolg 6

    Goeie dag. Gisteravond liep ik door de stad, ik was op weg naar de grote kerk. Het was de nacht van Pasen, dan is het altijd bijzonder in die kerk want dan luiden de grote klokken. U weet wel, die hele zware klokken. Het is dan alsof de stad zich opent voor dit geluid. Dat is natuurlijk mijn beleving, maar toch… Ik moet dan ook altijd aan Jules de Corte denken die dat zo mooi verwoordt als hij zegt dat ‘de klokken hun klanken uitstrooien over de stad’. Ik kwam mijn vriend tegen, hij had mijn laatste verhaal gelezen en vroeg mij, heel bescheiden, of ik ook nog een laatste blog wilde schrijven. Nou ja zeg, ik keek hem aan maar gaf hem geen antwoord.
    Hij kwam naast mij zitten, hij in zijn nette pak, ik in mijn kloffie. Heel bijzonder, meestal blijft de stoel naast mij leeg, dat snap ik wel.
    Er was een orde van dienst waarin ook de liederen stonden afgedrukt. Ik ben niet zo’n goede zanger, meestal moet ik tijdens het zingen ‘schakelen’ van hoog naar laag. Ik krijg tijdens het zingen ook altijd kriebel in mijn keel, maar als dat orgel inzet dan kan je bijna niet anders dan meezingen. Het was donker, half verlicht, in de kerk.
    De dienst begon heel stil, ingetogen, letterlijk en figuurlijk nog onder de indruk van de moord op Hem die een slaaf en ons aller dienaar werd, zo beschreef de voorganger de sfeer. Er werden bemoedigende verhalen uit de Bijbel gelezen: over de schepping van het licht, over doodsbeenderen die weer levend werden, over de doortocht van het volk Israël door de rietzee.

    Wij zongen psalm 130, ‘uit diepte van ellende roep ik tot U…’. Ik weet wel ongeveer wat dat betekent, ‘roepen uit die diepte van ellende’. Zo halverwege de dienst veranderde de sfeer, er werd op de deur geklopt, een grote kaars werd binnen gebracht, plechtig en toch ook weer vrolijk.
    Het ging ongeveer zo: wij hadden bij binnenkomst allemaal een kaarsje gekregen. Nou ja, hallo zeg, een volwassen man met een kaarsje in zijn hand, zie je het voor je? Maar ja, je doet mee, iedereen doet mee. Toen die grote kaars was binnen gebracht en voor in de kerk stond, stak de voorganger zijn kaarsje aan en gaf aan een vrouw op de voorste rij het licht door, die gaf het door aan haar buurvrouw en die weer aan haar buurman etc. etc. Uiteindelijk werd de hele kerk verlicht door dat ene vlammetje. Daarna gingen alle andere lampen aan. Het orgel barste uit in majestueuze klanken. De klokken, het leek alsof ze niet wilden stoppen met luiden. Kinderen versierden de kerk met fleurige ballonnen en kleurplaten. Wij luisterden staande naar het paasevangelie. De voorganger hield een korte preek. Toen ik hoorde wat hij zei, dacht ik…. dit ga ik in mijn blog vertellen! Ik zal proberen het mij zo goed mogelijk te herinneren en te citeren;  dit moet iedereen horen! Hier gaat het om, dit is de essentie van de paasnacht. Toen zei ik tegen mijn vriend, ik maak nog één blog.

    ‘Het licht van Pasen is ontstoken’, zei de voorganger, ‘het licht van Christus. Het licht dat straalt in de duisternis, het licht van de opgestane Heer. Dat wij dit licht hebben ontvangen heeft een diepere bedoeling. Als christenen, als mensen die gedoopt zijn, zijn wij degenen die de boodschap van het licht in deze wereld mogen uitdragen. Het licht dat aangeeft dat wij mensen niet geboren zijn voor duisternis en dood, maar voor het licht en voor het leven. Zelfs over de grens van de dood heen zijn wij kinderen van het licht. Dat willen wij laten zien, wij hebben niets te verbergen in de duisternis.’
    Daarna werden wij uitgenodigd om onze doop te gedenken, zo’n beetje het belangrijkste symboolmoment dat je in de kerk kunt bedenken!
    Zo zei de voorganger dit ongeveer: ‘In deze heilige nacht zullen wij opnieuw stilstaan bij het sacrament dat ons tot kinderen van God heeft gemaakt. Ons eigen doopsel geeft aan hoe wij door de dood tot leven zijn gekomen. Juist in deze nacht, waarin wij de opstanding van Christus gedenken, vieren en herinneren wij ons dat God voor ons mensen kiest. Juist in deze nacht willen wij stil staan bij onze fundamentele roeping: leven voor Gods aangezicht. Leven in het aangezicht van Christus. Leven als kinderen van God, als kinderen van het licht. God die ons in het lijden, het sterven en de opstanding van zijn zoon Jezus Christus heeft laten zien dat hij van ons houdt, dat hij ons niet in de steek laat, dat hij met ons is (Emmanuel). Hij is in ons leven hier, nu en altijd. Zelfs over de grens van de dood heen.’
    Wij werden uitgenodigd ons onze doop te herinneren en maakten in het doopwater onze vingers nat en daarmee ons voorhoofd. Het is een bevestiging van dat onzichtbare ‘teken en zegel’ dat wij met ons mee mogen dragen. Ook ik. Daarna werden wij gezegend ‘om tot een zegen te zijn’. Zo zegende de voorganger ons. Twee handen op mijn hoofd, uit de diepte van ellende werd tot mij geroepen! Een grandioze belofte die tijdens deze paasnacht weer werd hernieuwd.

    ‘Pasen is het grootste feest van ons christenen. Wij dragen het licht van Christus’ opstanding in ons hart en mogen door hem licht in de wereld zijn.  Bakens vol van ‘geloof, hoop en liefde.’ Ik moest denken aan dat prachtige lied, ‘Kom als kinderen van het licht…’. Het leven heeft zin, ook mijn leven, ook al ben ik nu wie ik ben. Ook en juist doordat ik gevonden ben, mijn dochter, mijn vriend, deze dienst in de paasnacht, het orgel, de klokken, de woorden, het symbool, de gekleurde ballonnen…

    Niets is voor niets. Alles wat wij doen, doen wij voor een wereld die nieuw zal worden in Zijn handen. Alles wat wij doen, doen wij vanuit de hoop die we hebben gekregen op dit feest. Zo ongeveer ben ik de kerk uitgelopen, midden tussen al die andere mensen, mensen die vriendelijk waren. Er was zelfs iemand die mij vroeg waar ik vannacht verbleef. Van die levende gemeenschap wil ik deel uitmaken, dat is de weg die ik wil gaan.

    Dit is mijn laatste blog, ik heb een hele reis gemaakt. Het gaat u goed en ik hoop dat u een beetje gelukkig bent en wordt en dat u meehelpt aan het geluk van de ander. Dat lijkt mij het allerbelangrijkste. Groet, Kees.

     

    Blogs Anne

    Bier & Bijbel

    Tijdens mijn studententijd ben ik drie jaar lid geweest van de christelijke studentenvereniging N.S.G.: Navigators Studenten Groningen. Zij waren enorm enthousiast over hun geloof, stonden in vuur en vlam om het zo maar te zeggen. Ze staken elkaar hierin aan en ontwikkelden radicale ideeën over hun geloofsleven. De Bijbel moest worden gevolgd, de rest van hun leven was daaraan ondergeschikt. Het was een gekke tijd. De vereniging groeide ontzettend. Elk jaar verdubbelde haar aantal. Het jonge christelijke enthousiasme bleek heel veel studenten, tieners soms nog, aan te spreken. Inmiddels is de vereniging één van de grootsten in Groningen, heeft het een eigen pand en blijft ze nog steeds elk jaar groeien.

    Ik hoorde niet bij die groep enthousiastelingen. Ik vond dat er teveel zwart-wit werd gedacht en dat hun ideeën ontwikkeld werden zonder zich te laten informeren door een theoloog, een dominee bijvoorbeeld. De mensen naar wie zij luisterden waren doorgaans sprekers die het als een roeping zagen om praatjes te houden over hun persoonlijk geloof, maar dus niet een degelijke opleiding hadden gedaan om dat te onderzoeken. En toch zat ik er middenin omdat ik inmiddels vrienden had gekregen binnen N.S.G. Van een vriendin kreeg ik mijn uitgeleende Macy Gray-cd terug omdat die over seks ging. Als ik op mijn kop stond, wat ik graag deed aangezien ik op turnen zat, waren ze bang dat ik aan het mediteren was en dus met het verkeerde geloof bezig was. Als ik vertelde dat ik ‘van de PKN’ was, vonden ze dat ‘vrijzinnig’. En toen ik nog verkering had met een niet-christelijke jongen, vroeg een dispuutgenoot elke keer of het al uit was. Na drie jaar was ik er klaar mee. Ik ben juichend op de fiets gesprongen toen mijn laatste activiteit bij N.S.G. ten einde was.

    Vorige maand werd het tweede lustrum van mijn N.S.G.-dispuut -een groep studenten van verschillende jaren binnen een vereniging- gevierd met een galadiner en een feest. Vriendinnen van mij gingen er ook heen en ik sloot me bij hen aan, benieuwd naar wat me te wachten stond. In het Feithhuis, notabene de oude pastorie van de Martinikerk, trof ik een groep van zo’n 150 jongeren aan. Dit waren zowel afgestudeerden als studenten die bij het dispuut zaten. De groep was dus ontzettend groot, terwijl nog lang niet iedereen erbij was. We misten namelijk nog een heel aantal dispuutgenoten. Na het diner was het tijd voor het feest en ik vroeg me af wat voor laf feestje het zou worden, maar niets bleek minder waar. Vanaf het moment dat de muziek aanstond, ging het dak eraf. Ik genoot. De dj was nota bene een staflid van de vereniging, dat wil zeggen dat hij verantwoordelijk is voor de ‘geestelijke groei’ van de leden. En hij draaide heerlijke muziek. De voetjes gingen direct en veelvuldig van de vloer.

    Aan het eind van de avond klonk het verjaardagslied van de vereniging, gemaakt op een nummer van dj Afrojack. Alle leden die het kenden, zongen uit volle borst mee en wij oud-studenten keken ernaar. Ik hoorde ze zingen: ‘Dit is waar we staan vandaag, we hebben deze stad geraakt, bier & Bijbel in de hand, vierde lustrum, tweede pand’. Er ging een rilling door me heen. Hier stond de achterban van één dispuut. N.S.G. heeft er twintig. En de stad Groningen heeft nog vier andere christelijke studentenverenigingen (moet je nagaan!). Ik zag allemaal twintigers dansen en springen, terwijl ze trots uitriepen dat ze christen zijn, met ‘bier en Bijbel in de hand!’. De leeftijdsgroep die zo onzichtbaar is in de traditionele kerken staat hier massaal te getuigen van hun christelijk geloof. Die onzichtbaarheid dacht ik toen, wil niet zeggen dat ze er niet meer zijn. Ze zijn er wel. Ze volgen alleen hun eigen weg en doen dat tegenwoordig gelukkig met een ontnuchterend biertje erbij.

    Hier vind je de link naar het verjaardagslied (het lustrumlied) van N.S.G.: httpss://vimeo.com/93010634

     

    In God we trust

    Van kinds af aan is ‘kerk’ voor mij al een beladen woord. Ik heb nooit op een christelijke school gezeten en daarom weinig christelijke vrienden in mijn leefomgeving gehad. Als het woord ‘kerk’ viel, viel er meteen een beladen stilte. Óf die stilte hield aan en mijn vriendinnen gingen over op een ander onderwerp, óf mij werd het hemd van het lijf gevraagd of ik echt in God geloofde en waarom dan óf er ontspon zich een discussie over waarom Lady Diana dan was overleden. In ieder geval volgde er nooit een ontspannen gezellig moment. Dus ik heb geleerd om het woord te ontwijken in mijn taalgebruik. Dat merk ik tot op heden nog. Vanochtend bij het sporten wilde ik opmerken dat een jongen bij ons uit de kerk ook aan het solliciteren was (het onderwerp van gesprek), maar ik beet op mijn tong. Niet dat woord.

    Op de één of andere manier blijft het ‘gek’ om lid en fan te zijn van de kerk en uitdrukkelijk uit te komen voor je geloof. Mensen kijken je raar aan of zijn bang dat je hen ter plekke wil bekeren. Ook als christenen onderling merk ik een terughoudendheid in het gebruiken van geloofstaal. Woorden geven aan ons geloof, aan de basis van ons leven, hebben we afgeleerd. Sinds vele mensen uit de kerken zijn getreden is het not done om positief over het christelijk geloof te spreken. En wij christenen passen ons eerbiedig en meelevend aan bij die gevoeligheid van de niet-christelijke samenleving. Had ik het eerst over het woord kerk dat beladen is, hetzelfde geldt in grotere mate voor het woord God.

    In Amerika is dat niet zo. Deze zomer hebben we New York City mogen bezoeken. Het begon al op het John F. Kennedy-vliegveld waar wij landden. Remco moest niezen en een vrouw achter hem zei ‘God bless’, ik meen een afkorting van God bless you. Ik keek daarvan op. Ze zei het ‘G-woord’ in het openbaar en ze was niet eens aan het vloeken! Toen ik in de metro in gesprek kwam met het groepje personen dat zich in de spits aan dezelfde paal staande hield, grapte de man naast mij bij het uitstappen dat hij zijn vrouw wel moest meenemen omdat ze al 63 jaar getrouwd zijn. ‘Wat?’ zei een andere vrouw, toen de deuren achter het echtpaar dichtgingen, ‘zijn ze al 63 jaar getrouwd? God bless them’. ‘Ja’, zei de vrouw naast haar, ‘God bless them’. Het was precies wat ik dacht en voelde. Zo’n echtpaar, gezegend met vele jaren huwelijk. Alleen ben ik niet gewend om het hardop te zeggen. Deze vrouwen -onbekenden van elkaar- zeiden het niet alleen hardop, maar kregen ook nog bijval van elkaar! Ik stond dan ook niet gek te kijken toen ik mijn eerste dollarbriefje in de hand hield. Prominent bovenin prijken daar de woorden ‘In God we trust’.

    Ik weet niet wat dit met u doet, maar mij geeft het een gevoel van verlichting. Een gevoel van ‘het mag’. Ik mag hier over God praten zonder moeilijke gesprekken te ontvouwen. Ik kan hier geloofsuitspraken doen zonder mensen in verlegenheid te brengen. Ik kan uitkomen voor wat er in mijn hart leeft. En daarom deed ik dat ook. Waar ik normaal als mensen vragen wat voor werk ik doe, mezelf schrap zet voor een moeilijk gesprek (ik ben namelijk kerkelijk werker), zei ik het nu heel ontspannen toen we een man de weg wezen naar ons hotel. Hij vroeg wat ik deed en ik zei heel trots ‘I work for the church’. ‘For the church? Ah, God bless you!’, was zijn reactie. Heerlijk!

    En dat is het. Geloofszaken zijn misschien hartzaken en als Nederlanders zijn we niet gewend om daar meteen open over te zijn. Maar als je als christenen onderling wel openlijk praat over hoe je dingen beleeft, dat je ergens een zegen in ervaart of dat je je geroepen voelt, kun je elkaar er echt mee raken. En ik geloof dat dat tot zegen kan zijn voor een ieder van ons. Pas aan het eind van een vierdaagse bijeenkomst van Remco’s werk, sprak ik met de vrouw van zijn collega over hun dorpskerk in Ridderkerk (ja, zij ook!). Zij was ook fan. Ze sprak over hoe graag ze jeugdwerk wil doen en iedereen erbij wil betrekken. Dat ze niet kinderen wil bekeren, maar hen gewoon wil vertellen hoe het geloof voor haar is, vertellen over wat haar basis is. Maar dat het ondertussen ook zo moeilijk is, dat ze er verlegen mee is om in deze maatschappij te laten zien dat ze christen is. En ik zei het niet, maar dacht het wel: ‘God zegene je’. Ze raakte me. Gauw maar eens op bezoek in Ridderkerk.

    Fijne thuiskomst allemaal en een gezegend nieuw kerkelijk jaar!

     

    Boos op Plaisier

    De scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, ds. Arjan Plaisier, was donderdag 1 oktober voorpaginanieuws in dagblad Trouw. Hij schilderde de toekomst van de PKN somber af. Er zullen steeds meer kerken verdwijnen en dat moeten we naast ons neerleggen. Zo besparen we ons het zware proces van eindeloos fuseren met buurgemeentes.

    De realiteit onder ogen zien is een groot goed, maar hoe kan een belangrijke vertegenwoordiger van de PKN zeggen dat we dat moeten accepteren? Moeten kerken niet juist een schop onder hun hol krijgen dat ze nauwelijks meer een maatschappelijke functie vervullen? Dat ze niet meer kerk voor hun stad of voor hun dorp zijn? Juist PKN-kerken zitten van oudsher op centrale plekken. En juist kerken zijn uitgangspunten van diaconie en pastoraat.

    Door de leegloop van kerken en de aversie die daar regelmatig mee gepaard is gegaan, zijn we verstopplekken geworden. Plekken die alleen nog prettig zijn voor mensen die de kerk trouw zijn gebleven. Het lijkt of kerken, met Arjan Plaisier voorop, zich daarbij hebben neergelegd. ‘De rest is niet meer geïnteresseerd in ons en dat is niet anders’. Geloven we nog wel in onze eigen boodschap, in ons eigen bestaan, in ons eigen belang voor de mensen? ‘Nee’, lijkt de scriba te zeggen.

    Hoe realistisch Plaisiers woorden ook zijn, we mogen het geenszins accepteren. We moeten onszelf eens even goed in de spiegel aankijken en ons goed achter de oren krabben. Wat gaat er op elke plek in Nederland in elke gemeente mis dat mensen wegblijven uit de kerken? En niet: Wat gaat er mis bij de mensen dat ze ons niet meer willen? Nee: Wat gaat er mis bij ons?

    In mijn eigen werk als kerkelijk werker zie ik dat kerken oog missen voor mensen. Mensen die plotseling in het ziekenhuis liggen worden niet meer gebeld of bezocht. Mensen die nieuw zijn in de kerk, zelfs zij die eerder nog nooit een kerk van binnen hebben gezien, worden niet geholpen of gevraagd naar hun leerproces. Mensen voor wie de MAVO vroeger te hoog gegrepen was, moeten abstracte acclamaties opzeggen en luisteren naar poëtische taal in preken en gebeden. Jongeren worden apart gezien als ‘de jeugd’ die af en toe hun eigen diensten hebben maar die verder hun heil maar moeten zoeken in een liturgie die hen nooit is uitgelegd. Mensen worden gevraagd voor een kerkenraad waarvan ze nooit hebben gehoord of gelezen wie erin zitten en wat ze doen. Ja, zelfs binnen de kerk kun je je verstoppen en niet gezien worden.

    Natuurlijk gaat er ook heel veel goed en maken kerken op veel plaatsen verschil, bijvoorbeeld binnen de diakonie. Maar als wij niet oog krijgen voor onze naaste medemens, zowel binnen als buiten de gemeente, en niet geloven in onszelf, dan krijgt Arjan Plaisier gelijk. En dat niet alleen, dan horen, merken, voelen en ervaren mensen niet meer De Boodschap dat God een ieder onvoorstelbaar liefheeft. Dat kan alleen als we afstappen van dat aloude beeld: de mensen zijn er niet voor de kerk, de kerk is er voor de mensen.

    Stad & Dorp in lijsten

    December is een maand van lijsten en overzichten. De NOS zenden aan het eind van het jaar de mooiste sportfragmenten en opvallendste nieuwsitems uit. Op de radio is er de Top1000 allertijden en natuurlijk de lijst der lijsten: de Top2000 tussen Kerst en Oud&Nieuw. Deze maand heb ik kennis gemaakt met een ander overzicht: de ledenlijst van de Protestantse Gemeente Groningen, een monster van een lijst!

    In totaal staan er 15886 namen in die lijst. Voor de Nieuwe Kerk, waar ik sinds oktober als kerkelijk werker actief ben, geldt dat er rond de 5535 personen geregistreerd zijn. Elke maand komen daar gemiddeld zo’n 100 personen bij (en gaan er ook weer velen af). Je zult wel denken, waar komen al deze mensen vandaan? Het zijn mensen die elders bij een PKN-kerk geregistreerd staan voordat ze bij ons in de wijk komen wonen. Het gaat om alle mensen die gedoopt zijn bij een PKN-kerk of een voorgeleide daarvan. Voor de van oudsher Nederlandse hervormde kerken geldt daarbij dat kinderen van gedoopte ouders die zelf niet gedoopt zijn, ook zijn opgenomen in de administratie. Wanneer zij (waaronder vele studenten!) de wijk in verhuizen, komen ze ook in onze ledenlijst te staan. In het systeem dat het kerkelijk bureau hanteert komt bovendien iedereen binnen als ‘actief’ lid. Je begrijpt wel hoe lastig zo’n lijst te duiden is voor een ieder die ermee werken moet.

    In de protestantse gemeente Bierum-Holwierde-Krewerd is dat anders. Elke naam op de lijst is bekend, of deze nou kerkelijk betrokken is of niet. En elke naam op de lijst kan daardoor ook worden gewezen op hun verantwoordelijkheid om iets bij te dragen aan de Kerkbalans. De lijst is daardoor overzichtelijk en vormt de basis van het vele werk dat in de kerk verzet wordt. Ik zou niet weten wat ik zonder die lijst had gemoeten! Maar dat iedereen bekend is, kan ook een nadeel zijn. In de Nieuwe Kerk kunnen veel onbekende mensen aanschuiven zonder dat ze de blikken op zich gevestigd krijgen. Elke zondag zit de gemeente immers met mensen in de kerk die ze niet kennen. Daar is de gemeente simpelweg te groot voor. In Bierum is dat ook weer anders. Anoniem aanschuiven is er niet bij. Daar is de gemeente simpelweg te klein voor.

    Op Kerstavond zijn er veel mensen die al dan niet anoniem ‘even’ zouden willen aanschuiven. Dat wil zeggen, alleen dan en verder niet of nauwelijks. De reguliere kerkgangers hebben dat te accepteren, hoezeer het ook een appel doet op gedachtes als ‘oh nu kom je wel’. Gezamenlijk wordt er geluisterd naar het verhaal dat voor alle mensen begrijpelijk en enthousiasmerend is. De geboorte van dat kleine kind in de kribbe, dat vrede op aarde brengt, en in de mensen een welbehagen! Prachtig. En als we dan, met een grotere groep dan normaal, de kerk uitlopen, kunnen we niet anders concluderen dan dat dat verhaal voor iedereen geldt, voor alle kerkelijke betrokkenen, voor de aanschuivers en ook voor alle andere mensen in onze dorpen. Financiële bijdragen, ledenlijsten, overzicht of niet, het maakt voor Onze Heer niet uit. Iedereen staat op Zijn lijst. Als dat geen reden is voor een Feest! Fijne Kerst allemaal!

     

    Zeven-en-veertigdagentijd

    Woensdag 10 februari jl. is de zevenenveertigdagentijd begonnen. Deze tijd loopt vanaf deze as-woensdag en komt tot een eind op Paaszondag. Als je de zondagen in deze periode meetelt kom je op zevenenveertig dagen. Maar wat maakt deze tijd zo anders dan andere tijden? Ik ben opgegroeid in een Samen-op-weg Gemeente. Ik ben nooit gereformeerd of hervormd geweest. En ik weet niet of dat er mee te maken heeft dat deze periode altijd belangrijk voor mij is geweest. De lijdenstijd begon met een sobere maaltijd, soep met droog brood. Dit aten we met een groep gemeenteleden vervolgens elke woensdag tot aan Pasen na de vesper in de kerk.  Thuis stonden vier snoeptrommeltjes in de kast. Voor mijn broer en mijn zussen en mij. Alle snoepjes die we kregen, gingen daarin. De inhoud van dat trommeltje werd pas genuttigd na de Paaswake op Stille Zaterdag. Dan sneed mijn moeder ’s avonds laat een stukje Paasstol voor een ieder van ons en dan wisten we. Het trommeltje mag open. Eén keer hebben we zelfs de hele Stille Zaterdag op brood en water geleefd. Tot aan de Paaswake dan. Maar de zondagen deden niet mee. Dan mochten we wel chips en dan hoefden de snoepjes niet in het trommeltje. De zondag was namelijk een feestdag, dus die maakte geen onderdeel uit van de lijdenstijd. En zo is heel lang geleden het begin van de lijdenstijd op woensdag gezet. Tegenwoordig heb ik geen snoeptrommeltje meer. En tegenwoordig kun je ook vasten op andere zaken dan snoep, koek en chips. Op Facebook heb ik al vele meldingen gezien van vrienden die tot aan Pasen zich niet meer bezighouden met dit sociale fenomeen. Ook hoor je van mensen die geen televisie meer kijken gedurende deze periode. En dat komt misschien ook dichterbij de bedoeling van de veertigdagentijd. Tijd en concentratie creëren om tot inkeer te komen, te beseffen dat we zonder deze luxe dingen kunnen en de tijd te nemen om een dagtekst te lezen, of een stukje uit de Bijbel. Zaken die in het doordeweekse leven er vaak bij inschieten, zelfs bij het leven van een kerkelijk werker. En dat is wat de zevenenveertigdagen tijd tegenwoordig voor mij betekent. Een stimulans om tijd te nemen voor lezen en voor gebed. Je kunt daar hele goede hulpinstrumenten bij krijgen. Zo is er een veertigdagen-app van Kerk in Actie, met elke dag een mooie tekst, en de paters Jezuïeten bieden elke dag een 40-dagenretraite aan per mail, met dagteksten, gebedstips en -onderwerpen en overdenkingen. Dit gaat door op de zondagen net als het vasten op Facebook en tv. Zo hebben we onze eigen zevenenveertigdagen tijd gecreëerd, wat helemaal niet erg is. Het is een heerlijke stok achter de deur om de rust weer eens op te zoeken, richting boven.