• Agenda:

    Zondag 16 december 2018
    9.30 uur, Irenekerk
    Voorganger: ds. G. Knol
    Vooraf koffiedrinken + Viering Heilig Avondmaal

     

     

  • God, waarheid en beleving

    Media bepalen onze blik.
    Hoe wij denken, handelen en boven alles: hoe wij eruit willen zien, hoe wij willen overkomen.
    Kunnen wij ons nog voorstellen dat dit ooit minder belangrijk was?
    Waarheid en feiten waren in mijn opvoeding belangrijker dan wat ik ervan vond.
    Beleving is momenteel belangrijker dan waarheid.
    Hoe je overkomt is belangrijker dan wat je precies zegt. Waarheid en integriteit lijken van minder belang.

    Het verspreiden van desinformatie is een factor van belang geworden om vragen naar waarheid en feitelijkheid te verstoren. Alternatieve feiten is er een ander woord voor. Behoorlijk schaamteloos buigt men de werkelijkheid uit persoonlijke motieven. Kennelijk ziet men het niet langer als liegen.

    Natuurlijk is beleving belangrijk. Maar wat nu als beleving niet langer meer verbonden is met een controleerbare werkelijkheid? Dan staat die beleving helemaal op zichzelf. Ze vormt dan een eigen subjectieve werkelijkheid die de feitelijke werkelijkheid ontkent en scheef trekt. Het gevaar is al zo oud als de mensheid. Telkens opnieuw moet de vraag naar de waarheid worden gesteld om niet te verzanden in een brei van gevoelens, meningen en belangen.

    Zo valt God ook nooit samen met onze beleving of mening, ons denken of belang.
    De realiteit van God is altijd groter dan wat wij van God denken of begrijpen. Geloven in God is daarom ook meer dan ‘zo voel ik dat’.
    God valt niet samen met de mens of met mensen als (gelovige) groep.
    Dat is maar goed ook.
    Het is de basis van onze hoop: God is groter dan de optelsom van al onze belangen, gedachten en gevoelens.

    De werkelijkheid is groter dan alles wat de media ervan maken. Mensen zijn dieper dan de beelden die er inde media van worden gemaakt. God is groter dan het beeld of de beelden die wij van Hem hebben.

    Gerard Knol

    Je leven aan God wijden

    Dat klinkt zo vroom – je leven aan God wijden.
    Zo werd er vroeger vol trots vermeld dat zoonlief dominee werd of pastoor of missionaris.
    De stereotype mensen ‘die zich aan God wijden’.
    Ik ben nu bijna 60 jaar en ik weet heel zeker dat ‘je leven aan God wijden’ allerminst een vrome aangelegenheid is.
    Ik heb een diepgeworteld wantrouwen ontwikkeld tegen mensen die God en Jezus vooraan in de mond hebben liggen.
    Niet dat dat goed is, dat wantrouwen … Maar er is een goede reden voor.
    Er zijn zoveel mensen die geloof gebruiken als schutkleur voor dingen die men niet waar wil hebben.
    Géén vroomheid dus.
    Wel eerlijkheid, oprechtheid, rechtvaardigheid, schoonheid. Al die dingen die in de wortel met liefde hebben te maken: liefde voor dit bestaan in al zijn onmenselijkheid om het menselijker te maken.
    God heeft ons niet geschapen om goddelijk te zijn, maar om menselijk te zijn.
    En – gek genoeg! – betekent dit dat je meer dan het gewone, gemiddelde, halfslachtige, halfhartige moet doen om dat te bereiken. Liefde duldt geen halve overtuiging.
    Jezus ging voor het hele rijk van God en droeg ons op om hetzelfde te doen.
    Je leven wijden aan God betekent dat liefde en licht voorop gaan in jouw mens-zijn.
    Is het zo moeilijk om daarover NIET te liegen tegen jezelf en anderen?
    We zijn zo bang voor de consequenties, voor de gevolgen.
    En tegelijkertijd: is het zo ONMOGELIJK om ervoor te kiezen?
    Ook dat is praktisch en totaal niet vroom: begin maar waar je bent.
    Je hoeft geen heilig boontje te worden.
    Wel een gepassioneerd boontje.
    Gerard Knol

     

    Je stapt in de auto. Je start de auto. En je rijdt weg.

    Zo simpel is dat. In zo’n tijd leven wij. Deze dingen zijn vanzelfsprekend.
    Voor je het weet kijk je zo naar het hele leven. Het is een aaneenschakeling van logische handelingen en zo kom je waar je wezen wilt.

    Dat het er voor het grootste deel van de wereldbevolking zo helemaal niet uitziet, vormt geen onderdeel van ons alledaagse besef. Je moet er echt bij stilstaan en meestal doen we dat met enige tegenzin. En het heeft verder ook meestal geen consequenties, behalve een kort, onbehaaglijk moment waarop je beseft dat het ook anders kan zijn.

    God vraagt: “Adam, waar ben je?” De mens, Adam, heeft zich verborgen uit schaamte. Schaamte leert een kind, wanneer het zich voor het eerst bewust wordt van zichzelf. Baby’s hebben geen schaamte. De mens die weet wie hij of zij is, kent schaamte, wanneer hij of zij in de spiegel kijkt en zich daardoor realiseert dat er iets mankeert. Einde paradijs.

    Waarom zou ik mij dan schamen? Nou, bijvoorbeeld omdat je je realiseert dat we leven in een pijnlijk ongelijke wereld en dat je je daarvan niets aantrekt. Of omdat je weet dat een paar straten verderop iemand haar partner net heeft verloren. Wie ben jij om daar nu heen te gaan? Anders ging je er ook nooit heen.

    Een vraag die Kaïn zich stelt is: “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” Een schaamteloze vraag, als je je realiseert dat hij hem zelfs gedood heeft. Wij kunnen ons erachter verstoppen dat wij niet schuldig zijn aan het ongeluk van anderen die ver buiten onze gezichtskring leven. Wij kunnen ons echter niet verstoppen voor ons gebrek aan betrokkenheid, voor onze onverschilligheid. Zoek eerst het Koninkrijk van God en zijn gerechtigheid. Dat zei Jezus. Hij hield zijn volgelingen zelfs voor dat ze het beter moesten doen dan de boegbeelden van gerechtigheid in zijn tijd.

    Zucht – moet ik mij dan álles aantrekken …? Daar gaat het niet om. Houd je hart open en kijk wat je kunt doen en wie je wilt zijn.

     Gerard Knol

    Open kerk zijn in de stad..

    Het gebouw staat midden in de wijk. Het is er omheen gebouwd. Mensen fietsen en lopen langs, zijn benieuwd naar het innerlijk en wat zich er zoal afspeelt. Open kerk zijn is een dankbare zaak. Je hoeft de deuren maar te openen en er waait van alles aan. Ondertussen blijkt de kerk ook een eigen leven te leiden. Juist doordeweeks..

    Voordat ik ’s ochtends arriveer, is het er al een drukte van belang. De steiger voor het orgel wordt opgebouwd. Grote mannen lopen af en aan met materieel, grappen in het Gronings terwijl ze de rookgeur van hun laatste pauze met zich meedragen. ‘Anne Nijland’, buldert het vanaf de steiger. ‘Dat ben ik’, roep ik flink terug. De foto’s op de poster bij de buitendeur blijken tussen de hijsen door goed te zijn bestudeerd. ‘Waar kan ik mijn telefoon opladen? In de kantine?’, vraagt een ander timide. ‘De kantine?’ Ik denk even na en bedenk dat ik net een paar mannen uit de consistorie zag komen. ‘Ja’, zeg ik en kan een lach niet onderdrukken, ‘in de ruimte waar jullie waarschijnlijk net koffie hebben gedronken ja’. Nadat ik het Stilteportaal geopend heb, stap ik de consistorie binnen waar het een bende is van jewelste. De tafel is gevuld met de ontbijtresten van de heren. Weer kan ik een lach niet onderdrukken.

    Tussen de bekruimelde borden en de dozen suikerklontjes vind ik een plekje voor mij en mijn laptop. Tijd om even naar de mail te kijken voordat het Bijbeluurtje begint. Een jonge knul klopt op het raam. ‘Ik kom voor het Bijbeluurtje’, legt hij uit. Hij druipt weer af als hij hoort dat dat pas over een uur begint. Hij blijkt in de buurt te wonen en van de vrijgemaakte kerk te zijn. ‘Van harte welkom hoor’, druk ik hem nog op het hart. Snel zet ik koffie. Ook voor Niels, de huisgitarist, die elke donderdag van de kerk gebruik maakt om muziek te spelen. ‘Eigenlijk oefen ik hier niet, maar draag ik voor. Zo’n mooie ruimte vraagt om voordracht. De ruimte is mijn publiek en net hoorde ik een meeuw meezingen’.

    Als ik check of de dagkaars nog brandt in het Stilteportaal tref ik Casper. Of hij de kerk even mag zien. ‘Natuurlijk’, zeg ik, en houd de deur voor hem open. ‘Mag ik een keer terugkomen met mijn schilderattributen? Ik ben kunstschilder, klassieke academie, en ik zou graag het interieur eens willen schilderen’. ‘Elke donderdag ben ik aanwezig: van harte welkom’, antwoord ik en wens hem een fijne dag. Tevreden loopt hij het zonnetje weer tegemoet. Nu wil ik nog even naar mijn preek kijken voordat het inloopuur aanvangt. Op de klanken van Radio 10 Gold buig ik me over Johannes 16: De stratenmakers hebben buiten de radio aan staan. De woorden van Marco Borsato (‘Afscheid nemen bestaat niet’) en Jezus (‘Nog een korte tijd en jullie zien me niet meer’) blijken wonderwel samen te gaan.

    Dan hoor ik weer iemand binnenkomen. De wijkagent. Hoe het gaat met het Stilteportaal en of we zijn tips ter voorkoming van calamiteiten nog opgevolgd hebben. ‘Ja, we hebben sinds kort een prachtige deurbel met draadloos klankkastje’. Zo kan ik de deur op slot doen als ik elders in de kerk ben en toch gewaarschuwd worden als er iemand naar binnen wil. Ja, hoe gek het ook klinkt, bij open kerk zijn hoort ook het in de gaten houden wie er binnenkomt. Gelukkig hebben we een benaderbare wijkagent die ons hierbij helpt. Ondertussen denk ik aan Gert. Ik ben benieuwd of hij nog langskomt. Het gaat niet goed met hem en hij zit vaak om een luisterend oor en gebed verlegen. Omdat dát nou net is wat we als kerk te bieden hebben, help ik hem daar maar al te graag mee. Maar Gert komt niet. Volgende week vast wel weer en anders mail ik even om te vragen hoe het is. Na mijn wekelijkse gesprekje met één van de buurmannen die vrijwilliger is van het Stilteportaal, sluit ik mijn laptop en het Stilteportaal. De dag zit erop, de werkmannen zijn naar huis, het begint te schemeren in die schat van een kerk. Volgende week weer een dag.

    Vrijheid van meningsuiting

    Wat heerlijk, die vrijheid van meningsuiting! Wij leven in een wereld waarin je mag zeggen wat je denkt! Kom daar eens om in veel andere landen en culturen. Nee, dan zijn wij hier wel beter af dan heel veel andere mensen.

    Als u denkt: nou komt het, nou zal hij wel komen met een onverwachtse draai in het verhaal – dan hebt u het mis. Want dit is een ongelofelijk groot goed: geen blad voor de mond te hoeven nemen! Ik ben juist bang dat we dit zullen verliezen, omdat sommige groepen er moeite mee hebben om aan te horen wat anderen écht denken.
    Hoe komt het dan dat wij het risico lopen om die vrijheid van meningsuiting te verliezen? Ik denk allereerst omdat die vrijheid wordt verziekt door onnadenkendheid. Alles zeggen wat je voor je kop komt, is altijd nog wat anders dan eerlijk en oprecht zijn. De vrijheid nemen om iemand doelbewust te kwetsen, te beledigen of te kleineren, bijvoorbeeld, mag wel overkomen als vrijheid van meningsuiting, maar zij is dat slechts ogenschijnlijk, oppervlakkig gezien.

    Vrijheid is lange tijd misbruikt of ondoordacht gebruikt. Je vergeet zo gemakkelijk dat die vrijheid is omhelsd omwille van het ontmaskeren van leugens en onvrijheid. De wortel van de menselijke vrijheid is gegrond in het nemen van verantwoordelijkheid voor jouw leven, jouw woorden en daden. Paulus herinnert de gemeenten eraan dat zij, nu zij in Christus zijn gestorven en opgestaan, niet langer zondigen. Wie gebruikt nu zijn moeizaam gewonnen vrijheid en verlossing om die vervolgens weer de nek om te draaien (= zondigen). Dat doe je toch niet. Wil ieder die de vrijheid neemt om een ander af te maken in één adem door ook zijn of haar eigen gedrag ter discussie stellen!

    Jezus zegt ons het oordelen van de ander (aan God over) te laten. Je zult zelf gemeten worden met de maat waarmee je een ander meet. Vrijheid ontstaat daar waar je elkaar in de ogen durft te zien en de waarheid onder ogen durft te zien.

    Gerard Knol

    Bij de Tijd – Kerk in de kroeg

    Mijn man en ik mogen graag een biertje drinken met vrienden in de kroeg. Zelfs na afloop van een kerkenraadsvergadering wordt nog wel eens wat nagepraat in de buurtkroeg. De kroeg is een publieke plek waar ontmoeting en ontspanning het uitgangspunt zijn. Groningen, de stad waar wij wonen, bulkt ervan.

    Zo stonden wij op een vrijdagmiddag met vrienden te borrelen in Café Soestdijk aan de Grote Kromme Elleboog. Al snel raakte ik aan de praat met mensen in mijn omgeving en al snel werd er gevraagd wat ik voor werk doe. Wanneer ik zeg dat ik voor de kerk werk fronsen de wenkbrauwen dikwijls. Het is gegarandeerd aanleiding voor een goed gesprek en ook dit keer voelde de jongeman in kwestie zich geroepen om te vertellen wat hij met kerk en geloof heeft. Vaak is het hetzelfde verhaal, wel gedoopt, maar er verder niks mee hebben. Zo ook in dit geval. ‘Oh’, zei ik vervolgens, ‘maar grote kans dat je dan nog wel ingeschreven staat in de kerk’. ‘Welnee’ zei hij, ‘ik heb me nooit over laten schrijven vanuit de kerk uit ons dorp’. Ik zei ‘dat hoeft ook niet, die overschrijving gaat automatisch. Het gaat er om of je je hebt uitgeschreven of niet’. Dat had hij niet. ‘Weet je wat’, zei ik, ‘ik kan het wel even checken’ en ik viste mijn telefoon uit mijn zak en logde via internet in op de administratiepagina van de PGG (Protestantse Gemeente Groningen), waar ik ook werkzaam ben. ‘Ja hoor, je staat erin’, zei ik triomfantelijk. De jongen keek me aan alsof zijn broek afzakte. Gelijk stootte hij zijn vrienden aan om het verder te vertellen. Ze reageerden lacherig. ‘Maar wat zijn jullie namen dan?’, vroeg ik doodleuk. En ook zij bleken ingeschreven te staan. Eén van hen kon een vloek niet onderdrukken. ‘En jullie staan ook nog eens ingeschreven bij ons in de gemeente, dus jullie zijn één van mijn schaapjes’, voegde ik er plagerig aan toe.

    ‘Maar’, legde ik uit, ‘je kunt je uitschrijven als je wil hoor. Dat is voor ons ook handig als mensen die niet ingeschreven willen staan dat doen. Dan krijgen we een beter overzicht over onze ledenlijst’. Ik wilde hun mijn mailadres geven om aan te bieden het te regelen met het kerkelijk bureau. Maar dat hoefde niet. Het was misschien ook wel prima zo.

    Dit tekent de kerk anno 2017. Mensen die er ooit bij hoorden, weten van niets. Haaks daarop staat de ervaring dat juist mensen van buiten de ledenlijst interesse tonen. Bij onze halfjaarlijkse nieuwkomersbijeenkomst meldden zich met name mensen die niet ingeschreven staan. Ook tijdens de twee kinderkerstfeesten en de kerstnachtdienst zat de kerk stampens vol met mensen met diverse achtergronden. Om over de bezoekers van ons nieuwe Stilteportaal nog maar te zwijgen. De tijd van de verzuiling is voorbij. De kerk staat open voor iedereen en kan daarmee een plaats middenin de maatschappij innemen. Zelfs in de kroeg. Zelfs in het dorp. Das ja mooi.

    Niet oordelen

    Als ik over straat loop – maakt niet uit waar – en ik kijk om mij heen dan neem ik (onbewust) heel veel indrukken in mij op. En – ook weer onbewust – ik selecteer of filter een aantal zaken dat mijn aandacht trekt. Dit is de wortel van ‘oordelen’. Je hebt of ontwikkelt ter plekke een soort mening of voorkeur en in negen van de tien gevallen weet je dat niet eens. Het gebeurt. We doen dit ook allemaal. De uitkomsten zijn, echter, allemaal verschillend, omdat we van elkaar verschillen.

    Oordelen wortelt dus in onze natuur van selecteren. We beoordelen de gegevens van onze wereld op hun wenselijkheid voor ons.

    Dat doen we ook met mensen. Er zijn mensen die we toelaten (tot op zekere hoogte). Er zijn mensen die we niet toelaten.

    Waarop is dat gebaseerd? Wetenschappers die menselijk gedrag onderzoeken, hebben ontdekt dat mensen elkaar beoordelen op geur bijvoorbeeld. Dus parfum kan een enorme stoorzender en misleider zijn. Een ‘geurgordijn’ zeg maar. Je laat jezelf niet zien, maar je verbergt jezelf eerder achter een andere geur. Misschien wel uit angst om beoordeeld of veroordeeld te worden op wie je echt bent. Hier dus: zoals je echt ruikt.

    Heel veel beoordeling en veroordeling van mensen is gebaseerd op morele gronden. We horen dat iemand vreemd is gegaan en hup! Een, twee, drie – daar is het oordeel al! Het is een inkoppertje van jewelste. En wat voelt het ook goed en duidelijk om erover te oordelen. Klaar is Kees. Je hoeft verder niks toe te lichten, uit te werken, na te gaan. Je hoeft de persoon en het verhaal niet te kennen en je nergens in te verdiepen. Heerlijk om over iets of iemand een mening te hebben!

    Nu zegt Jezus: je mag niet oordelen! (bijv. Matteüs 7,1-3; zie ook in dit verband Johannes 8,1-11). Dat betekent dus dat je de communicatie naar iemand OPEN houdt en niet vernauwt door een mening of oordeel. De liefde van God leert ons om naar elkaar toe gevoelig te blijven, zacht en welkom. Gelovigen en ongelovigen, zo is mijn ervaring, worstelen er in gelijke mate mee. Kennelijk moeten we hiermee oefenen, totdat we begrijpen wat het inhoudt om niet te oordelen.

    Gerard Knol

     

    Uitzicht vanaf Terschelling

    Vorig weekend was het inspiratiefestival van de PThU en de PKN op Terschelling. Een weekend vol workshops en inspirerende sprekers over verleden, heden en toekomst van de kerk. Een weekend om even uit te waaien en op te laden om vervolgens weer goed gemutst naar huis te gaan. Hoogleraar praktische theologie Henk de Roest droeg daar, evenals prof.dr. Mechteld Jansen en praeses van de synode ds. Karin van den Broeke, aan bij. Een weergave van De Roests betoog over de toekomst van de lokale kerk:

    Waardeer wie je bent en wat je hebt als kerk. Je bent een gemeente van Jezus Christus in de wijk, in je omgeving. Mooi dat die plekken er zijn! Liever meer plekken met minder mensen dan minder plekken met meer mensen. Gemeenten met veel ouderen zijn missionair van en voor ouderen. Nederland vergrijst nou eenmaal en kerken vergrijzen minstens zo hard mee. Maar dat wil nog niet zeggen dat die gemeenten minder van betekenis zijn. Tel je zegeningen: wie er zijn, wie wat doen en dat er geld gegeven wordt. Niet wie of wat er allemaal ontbreekt. En probeer fusies te vermijden. Daarvoor moet je meer inleveren (bijvoorbeeld wat goed gaat) dan het oplevert.

    Houd in de gaten waartoe je geroepen bent als gemeente; waar je goed in bent en van welke betekenis je kunt zijn. Staar je niet blind op plannen en modellen, die zijn handig als hulpmiddel maar moeten geen doel op zichzelf worden.

    Stimuleer geloofscommunicatie. Creëer gelegenheden tot het voeren van geloofsgesprekken of laat gemeenteleden vertellen over hun motivatie bij bijvoorbeeld een doop of een huwelijk. Deze verhalen kunnen zeer bemoedigend zijn voor anderen. Beschouw pastoraat, uitvaarten, huwelijken, doopdiensten etc. als missionaire momenten waarin het zijn van een kerkgemeenschap tot uiting kan komen ten overstaande van mensen die anders niet naar de kerk gaan.

    En tot slot, investeer in mensen. In vrijwilligers (verwen ze!), in professionals, in uitbreiden van predikantsplaatsen, in ontmoetingsmomenten. Drink daarom elke zondag koffie met elkaar. Maar organiseer ook doordeweeks koffiemomenten. Er is veel eenzaamheid onder ouderen, maar bijvoorbeeld ook onder jonge moeders die met zwangerschapsverlof zijn. Finance follows vocation, ofwel de financiën volgen op een bepaalde roeping. Als je als gemeente visie hebt om bijvoorbeeld een keuken aan te schaffen, dan komt het geld er wel, op welke manier dan ook (sponsorlopen, extra collecte, fondsen). Waar mensen gemotiveerd zijn voor een concreet doel, daar wordt er alles aan gedaan om het geld bij elkaar te krijgen.

    We hadden even een heel ander uitzicht vanaf Terschelling.

     

    De kerk in generaties

    Misschien had u het al door maar de kerkgemeenschap in brede zin van het woord bestaat uit vele generaties. Dat is ook de charme van de kerk, want het is niet aan leeftijd gebonden, noch aan geslacht, beroep, status, toewijding, nationaliteit, hobby’s, sportiviteit etc. De kerk is er voor iedereen. Het brengt sinds jaar en dag, zo niet sinds eeuw en decennia, mensen van alle soorten en maten samen onder één dak. Tot zover niets nieuws.

    Tegenwoordig leven we in een tijd dat we, naast bovengenoemde verschillen, te maken hebben met bijzonder veel verschillen tussen generaties. Er is de oudste generatie die bij wijze van spreken wekelijks met het hele gezin, die uit vele broertjes en zusjes kon bestaan, in hetzelfde water gewassen werden in een tobbe in de keuken. En er is de jongste generatie die bij wijze van spreken met een IPhone in de hand geboren worden. Er zijn generaties die de oorlog hebben meegemaakt, met aan alles een groot gebrek, en er zijn generaties die zich niet voor kunnen stellen dat de voorraadkast leeg is.

    Nu, deze verschillen gelden niet alleen voor de hierboven beschreven ervaringen, maar ook voor ervaringen met de kerk. Er is de generatie van pak ‘m beet tachtig plus, opgegroeid met rust, reinheid en regelmaat, waarbij de zondagse kerkgang vast onderdeel is van de weekstructuur. (Ik laat de verzuiling even achterwege in het belang van het woordenaantal.) Er is de generatie van zestig plus, die vele leeftijdsgenoten hebben zien afhaken van die kerkgang en nu met weinig schouders de kerk draaiende proberen te houden omdat de generatie van ongeveer veertig plus een hele dunne spoeling is die bovendien druk bezet is met werk en gezin. De zestig plus generatie zoekt naar overdracht en aflossing maar vindt dat natuurlijk maar mondjesmaat. Ondertussen komt de twintig plus generatie, opgegroeid in Samen op Weg-gemeentes dan wel weinig onder de indruk van de kerkverlating van decennia eerder, fluitend de kerk binnen op zoek naar inhoud en gemeenschap.

    De oudste generaties denken: ‘Het wordt niks meer met die kerk, ik zie alleen maar grijze koppen, het dooft allemaal uit’. Terwijl de jongste generaties blij zijn met een beetje verdieping in hun leven. Ondertussen zijn de zondagse kerkdiensten vormgegeven door die oudere generaties met een invulling die niet altijd te volgen is voor jongere generaties. En waar de oudere generaties opgegroeid zijn met rust, reinheid en regelmaat, zijn de jongsten dat met vrije keuze, onregelmatigheid en elke dag douchen. Wat betekent dat die jongeren net zo vrolijk fluitend naar een andere kerk lopen of wat langer onder de douche blijven staan op zondagochtend.

    Conclusie, geloof zit in elke generatie evenzeer. Zoeken naar verdieping en gemeenschap is van alle tijden. Alleen daar waar vroeger velen ook naar de kerk gingen als ze niet geloofden, gaan tegenwoordig velen niet (elke zondag) naar de(zelfde) kerk als ze wél geloven.

    Tot slot, kerkwerk kan hierdoor bijzonder frustrerend en ontmoedigend zijn. Maar trek nooit de conclusie dat jongeren geen interesse in kerk en geloof hebben. Ze zoeken alleen hun eigen wegen. Dat is nou eenmaal een eigenschap van hun generatie(s). Wil je hier vat op krijgen, nodig dan een tiener, twintiger, dertiger of veertiger uit bij je kerkwerk en sta open voor zijn/haar verhaal. Zo zullen jullie vanzelf op nieuwe ideeën komen. Is de moed je al in de schoenen gezonken? Dan wordt het misschien tijd een poosje te gaan consumeren. Sit back and relax, zouden de Amerikanen zeggen.  Niks mis mee. Je zult zien dat de gaten zich wel opvullen, of dat het werk op een andere manier wordt voortgezet (door een nieuwe generatie). In welk geval ook, vrolijk of verdrietig, moe of vol energie, de handjes vouwen kan altijd. En dat geeft Vertrouwen, wat de toekomst ook brenge moge.

    —————————————————————

    Een boom geplant aan waterstromen

    De eerste psalm begint niet met God, maar met de mens.

    Het (lof)lied dat wij zingen gaat niet in de eerste plaats over God.

    (Ik leg er maar even de vinger bij en knipoog naar u.)

     

    Gelukkig de mens!

    Jaaaaaaaa!!!!! Dat willen we: gelukkig zijn!!!!!!!

    Ok, vertel: hoe kunnen wij gelukkig worden?

    (We zijn zo vatbaar voor recepten die ons de juiste samenstelling en werkwijze kunnen leren en anders wel voor mensen die ons kunnen vertellen en voordoen hoe we daar kunnen komen.)

     

    Gelukkig de mens

    die niet meegaat met wie kwaad doen,

    maar vreugde vind in de wet (Thora) van de Heer.

    Hij zal zijn als een boom,

    geplant aan stromend water.

    Op tijd draagt hij vrucht,

    zijn bladeren verdorren niet.

    Alles wat hij doet komt tot bloei.

    boom

    Klinkt mooi, maar zo is het leven niet, hoor!

    Het valt vies tegen: wie goed doet, goed ontmoet.

    Je snapt waarom de meeste realisten in de praktijk ook cynisch zijn.

     

    De psalm stelt ons de vraag: wie wil je zijn?

    Ze maakt er géén sprookje van: als je wilt zijn als deze boom, zul je moeten drinken uit de stroom van levend water.

    Jezus zegt tegen de vrouw bij de bron (Johannes 4,14) dat het water dat hij geeft een bron creëert in de mens die water produceert dat eeuwig leven geeft.

    In deze psalm gebeurt met de gelukkige mens ook zoiets: hij wordt een bron van goeds voor iedereen.

     

    We willen graag gelukkig zíjn en daarom menen we manieren te moeten vinden om het te wórden.

    Maar we hebben geen idee wat we moeten doen!

    Sowieso – dat we er iets voor moeten dóen, staat ons al tegen. We willen het graag zíjn.

    Ook het idee dat we het zélf moeten doen, staat ons tegen, want we hopen (en bidden) dat God (en anders onze partner) het voor ons zal doen.

    (Natuurlijk – het zijn karikaturen die ik even snel en gemakkelijk neerzet, maar scherven, splinters ervan zwerven in ons vlees en zorgen voor ontstekingen, zwerven in onze geest en zorgen voor blinde vlekken, kortsluitingen.)

    Maar dat we het bereiken met een consequente focus op Gods pamflet van het goede leven (de Thora, de tien woorden – dag en nacht!) – wie gelooft daar werkelijk in? En toch kun je ook in hedendaagse bladen als Happinez lezen dat je schept wat je werkelijk gelooft. En als we er niet echt in geloven, scheppen we ook een wereld waarin we niet geloven.

    De psalm zegt: wie erin gelooft en eraan gaat staan – die is gelukkig, zalig, godzalig!

    En wie er niet in gelooft, die waait in elke richting waarin de wind waait. Die verwaait als kaf in de wind.

     

    Tot slot: Gods visie is niet te zwaar, te hemels en ligt niet buiten ons bereik (Deuteronomium 30,11).

    Je staat voor de keuze tussen voor- en tegenspoed, tussen leven en dood (Deuteronomium 30,15).

    Kies voor het leven, voor jouw toekomst en voor die van jouw kinderen en kleinkinderen door God lief te hebben en de naaste als jezelf (naar Deuteronomium 30,19 en 20).

     

    Ik wens jullie allemaal een goeie bezinning in de vakantie.

    Gerard Knol

     

     

    Een nieuw begin

    Het is nog vroeg in de morgen. Janneke ligt nog in bed naar ‘vroege vogels’ te luisteren. Ik bedacht dat ik voor morgen nog een stukje moest schrijven. Nu is een goed moment.

    Het is stil. Mijn eerste gedachten gaan uit naar de dienst van vanmiddag. Steeds weer repeteren in mijn hoofd: wat ga ik zeggen. Nee, loslaten. Sterke beelden: zó moet ik het zeggen, dát moet ik zeggen. Nee, loslaten. Wat zou het mooi zijn om allemaal volledig stil te zijn bij zo’n gelegenheid. Geen koorts, geen drukte. Diep stil.

    Gisteren waren wij even op het strandje bij Hoog Watum. We keken naar het water. Is het nou eb of vloed? De wind deed het lijken of het afnemend tij was. Toen bedacht ik dat we ons op een steen moesten concentreren die zo goed als onder water stond. Hij kwam steeds verder onder water te staan. Opkomend tij dus. Een zeehond stak als een zwart veegje zo nu en dan zijn snuit boven water. Wat is het? Is het een zeehond? Een beetje dichterbij. Waar is hij nu?

    Het is stil hier. In Reduzum was het ook stil. Maar anders dan hier. Ik vermoed dat er zoveel verschillende stiltes zijn als er plekken op aarde zijn. En mensen.

    Een tijdje terug zag ik de film ‘An’ – een kortere titel is niet mogelijk. Ik zal niet uitweiden over het thema van de film. Er komt een oude vrouw in voor. Zij is niet de hoofdpersoon. De hoofdpersoon is een man. Zij roept wel de vraag op: wie is eigenlijk de hoofdpersoon? Doet dat er wel toe, weten wie de hoofdpersoon is? Zij merkt op een bijzonder moment op: we zijn er om naar de wereld te luisteren. Als je naar de wereld luistert, maakt het niet meer uit of je geslaagd of mislukt bent in het leven.
    De mooiste momenten zijn de momenten waarop je jezelf volledig ‘vergeet’. Het zijn de momenten waarop je volledig kunt herstellen van alles wat je uit je evenwicht – wat dat ook moge zijn – brengt. De stilte die jou in zich opneemt, het bestaan dat je wiegt op haar golven. Alleen maar bestaan, zijn.

    Vanmiddag zal het gaan over Mozes die God vraagt om zijn heerlijkheid te mogen zien. De profeet Elia maakt iets vergelijkbaars mee als wat God Mozes aanbiedt. In 1 Koningen 19 wordt het proces waarmee God voorbij komt, beschreven. Uiteindelijk is er een ‘stem van een zachte stilte’ (vs. 12). Dat is het moment waarop Elia met omwonden gelaat uit de rotsspleet stapt. Het is het moment van goddelijke aanwezigheid. (Een mooi woord dat zegt dat God ‘aanweest’,  tot zijn komst.) In de stilte dus, niet in het geweld van een onstuimig gebeuren (dat aan het moment vooraf ging).
    Ik kan alleen maar hopen dat wij zo vertrouwd met elkaar worden dat we stil kunnen zijn met elkaar en dat we de stem horen die ons vraagt: waarom ben jij hier?

    Ik wil jullie ook allemaal hartelijk danken voor de blijken van welkom die op mij zijn afgekomen de afgelopen tijd. Dat waren er zeer veel op allerlei manieren. Er is warmte in de stilte en andersom. Hartelijk dank daarvoor!

    Gerard Knol