• Agenda:

    Datum: 27 september 2020
    Tijd: 9.30 uur
    Kerk: Irenekerk
    Voorganger: Mw. Ds, D. van Alphen-Ubbens uit Warnsveld

    De dienst is te volgen via kerkomroep.nl en dan zoeken op Bierum

     

     

  • God en corona

    Noach keek naar de aarde met de ogen van een raaf en van een duif, alvorens hij de ark verliet.

    Wij kiezen er in de wereld voor om de strenge regels m.b.t. corona gaandeweg te versoepelen.

    Is het meteen ok? Zoals in het geval van de raaf? Of komt het weer terug? Zoals in het geval van de duif. Tot drie keer toe.

    Moeilijk hè, om niet bang te zijn? Je geen zorgen te maken.

    We doen wat we kunnen. Tot dusver hebben we ons zo zorgvuldig mogelijk gedragen om corona buiten de deur te houden. Zonder precies te weten wat corona nou buiten de deur houdt. We hebben ons toch maar, zo verstandig mogelijk, gehouden aan regels en voorschriften. Van specialisten. Zoals een kind vertrouwt op vader en moeder. Zij zullen het wel beter weten dan wij.

    Terwijl de specialisten elkaar wereldwijd tegenspreken. Terwijl de populistische leiders er een potje van maken. Nou ja, laten we hartelijk erkennen dat wij met onze regering bepaald niet slecht af zijn. En laten we, volwassen als wij zijn, erkennen dat ook zíj het niet zo precies weten als wij, in onze kinderlijke afhankelijkheid, wel graag zouden willen.

    Gelovig moeten we zeggen: wij zijn in Gods hand.

    Maar wat ís Gods hand?

    Zoals de Heidelbergse Catechismus ons vertelt in Zondag 10 (in mijn iets vereenvoudigde weergave):

    Vraag en antwoord 27:

    Wat verstaat u onder de Voorzienigheid van God?

    De almachtige en alomtegenwoordige kracht van God.

    Hij onderhoudt met zijn voorzienigheid en hand hemel en aarde en alle schepselen.

    Hij regeert met zijn bestel alles zo dat loof en gras, regen en droogte, vruchtbare en onvruchtbare jaren, voedsel en drank, gezondheid en ziekte, rijkdom en armoede en alle dingen niet door toeval, maar uit zijn vaderlijke hand ons toevallen.

    Vraag en antwoord 28:

    Wat betekent het voor ons dat wij weten, dat God alles geschapen heeft en door zijn voorzienigheid onderhoudt?

    Dat wij in alle tegenspoed geduldig, in voorspoed dankbaar mogen zijn.

    En in alles wat ons nog kan overkomen, een goed vooruitzicht hebben op onze trouwe God en Vader. Dat ons geen schepsel van zijn liefde zal scheiden, omdat alle schepselen zich zo in zijn hand bevinden dat zij niet tegen zijn wil in kunnen gaan.

    Onze actuele vragen stellen hier de nodige vraagtekens bij.

    Zoals bijna altijd zit er een dikke vette adder onder het gras.

    Óf het kwade, zoals wij dat ervaren, komt (ook) van God. Indien het goede, dan ook het kwade.

    Óf God heeft daarmee niets te maken, maar waarom overkomt het ons dan? De duivel?

    Je belandt van het ene moeras in het andere.

    De kernvraag is: en hoe wéten wij dan hoe het precies zit?!

    De meeste mensen zullen zich terughoudend opstellen.

    Je wilt niet meer zeggen dan je voor jouw rekening kunt nemen.

    Maar wat geloven we?

    Wij geloven simpelweg dat wij in Gods hand zijn zonder het fijne te weten van feiten of gang van zaken. Het is een zaak van vertrouwen en overgave. Dit is de kinderlijke kant van ons geloof. Het is een diep besef. Wij vinden er rust in, ontlenen er kracht aan, zin en hoop. Het is géén theologie. Het is geen nauwsluitende theorie.

    Iets ander is of wij onszelf leggen in Gods hand.

    Dit is meer dan alleen een besef, meer dan alleen kinderlijkheid.

    Wat doe je met dit besef in jouw verantwoordelijke, volwassen leven?

    Slavoj Žižek in Pandemie:

    “’Raak me niet aan,’ is volgens Johannes 20:17 wat Jezus Christus tegen Maria Magdalena zei toen ze hem na zijn wederopstanding herkende.”

    Ik moest erg lachen, toen ik de kop van de inleiding op zijn boek las. Noli me tangere, de Latijnse vertaling van Jezus’ uitspraak ‘raak me niet aan’ – en dat in tijden van corona!

    Žižek ziet er een liefdesgebod in.

    In tijden van corona ís het dat ook.

    Maar ook voor Maria: laat me los, want ik zal er niet zijn, niet als persoon die je kunt aanraken, zoals ook wij zonder fysieke aanwezigheid van Jezus moeten leven en geloven.

    Geloof is juist: “raak me niet aan, maar raak andere mensen en ga met ze om in de geest van de liefde.”

    Žižek werkt dit uit voor jong en oud, rijp en groen, gelovig en ongelovig, om een wereld na corona en met corona voor te bereiden die anders is dan de wereld die wij tot dusverre hebben ontworpen.

    De oproep tot een liefdevolle solidariteit komt niet uit de koker van geloof of een humanistische oproep tot liefde voor de medemens. Hij ziet haar komen uit de koker van een goed begrepen egoïsme: we kunnen niet zonder elkaar en déze wereld hebben wij met elkaar. Het is hem al langer duidelijk dat deze redenen voldoende motivatie bieden om de wereld anders in te richten.

    Tot nu toe hebben het geloof in God en de verwachting van een nieuwe hemel en aarde én de oproep om als mensheid een nieuwe wereldorde in te richten één ding gemeen: het is nog altijd zoals het is. Snik! Daarom vind ik de strijd tussen de keuze voor het ene of het andere spoor niet interessant.

    De oude gelovigen kregen al vroeg in de gaten dat de Heer nog even op zich liet wachten … Daarom sloegen zij hun hand aan de ploeg, verleenden zorg aan de armen, bouwden ziekenhuizen enzovoort.

    Welke wereld bouwen wij? Welke inzichten zijn voor ons fundamenteel bij de bouw daarvan? Kan de duif al voet aan de grond krijgen? Of alleen ‘de raven’?

    Gerard Knol

    Hoe heet God?

    Het is een langlopend project waarin mijn vrouw en ik verzeild zijn geraakt: het opruimen van onze zolder. Geen kleine klus. Je komt allerhande dingen tegen, waarvan je niet eens meer wist dat ze er waren. Uit één van de dozen kwam een ketting bruine kralen te voorschijn. Een tasbih, een gebedsnoer gebruikt door moslims, om Gods namen te onthouden. God heeft in de Islam 100 namen. 99 zijn bekend, de honderdste moet nog worden gegeven. Gods namen zeggen over God hoe Hij is, wat Hij doet. Hoe God verschijnt aan de mensen. De meest gebruikte is Allah (God in al zijn majesteit), en als goede tweede wordt ar-Rahman ( de Meest Barmhartige) gebruikt. Ook ar-Rahim, de Meest Genadevolle, ligt goed in de markt. Vriendelijke namen, namen met een goede klank. Maar vergis je niet, er worden ook andere namen gebruikt. Namen zoals al-Khafid (de vernederaar) of al-Mudhill (de Onteerder) of al-Mumit (de levenontnemer) of ad-Darr (de brenger van Nood).

    God namen geven is niet alleen een gewoonte binnen de Islam. Ook Joden en Christenen geven namen aan God. De door de mensen gebruikte Godsnamen, zeggen iets over hoe mensen God ervaren (hebben). Als Mozes bij de brandende braamstruik naar de naam van God vraagt antwoord God: ‘IK ZAL ER ZIJN’. En God was er. Met tien plagen sloeg en brak Hij Egypte en werd zo voor Israel de Bevrijder en ging hen voor op hun tocht door de woestijn. Maar hoe zullen de Egyptenaren in het verwoeste land, die met de dode lichamen van hun eerstgeboren kinderen in de armen stonden, God ervaren en genoemd hebben: Al-mudamira (De verwoester)?

    De objectieve vaststelling van een verlossing of bevrijding, kan pas na afloop van een gebeurtenis op grond van de zich voorgedane ontwikkelingen worden benoemd. Of een dergelijke vaststelling altijd strookt met de subjectieve ervaringen van het individu of alle andere betrokkenen in het uur U, is nog maar de vraag. Tussen het objectieve kennen en subjectieve ervaren ligt vaak een wereld van verschil. Heel mooi komt dit tot uiting in het Bijbelboekje Ruth. Het verhaal van Ruth leest als een roman. Daardoor verliezen we vaak de essentie van het verhaalde uit het oog. In het boek Ruth is het God, die de vruchtbaarheid geeft of onthoudt. Zowel voor wat groeit en bloeit als wel voor het krijgen van kinderen. Noömi vertrekt met man en twee zonen naar Moab, omdat in het broodhuis Betlehem, geen droog brood meer is te krijgen. Toen Noömi in Moab hoorde dat de Heer zich het lot van zijn volk had aangetroken en dat het weer te eten had, ging ze met haar twee kinderloze Moabitische schoondochters terug naar Betlehem. Man en beide zonen achterlatende in hun graven in Moab. Halverwege de reis, verlaat ook Orpa haar. Zo komt ze terug in Betlehem en spreekt de vrouwen toe: “Noem me niet Noömi, noem me Mara, want de Ontzagwekkende heeft mijn lot zeer bitter gemaakt. Toen ik hier wegging had ik alles, maar de Heer heeft mij met lege handen laten terugkomen. Waarom mij nog Noömi noemen, nu de Heer zich tegen mij heeft gekeerd, nu de Ontzagwekkende me kwaad heeft gedaan?” Dat de beschreven gebeurtenissen uiteindelijk onderdeel bleken te zijn voor de komst van David, is wat wij met de kennis van nu weten. Maar Noömi? Hoe zou zij dat hebben kunnen weten? Zij heeft alleen maar weet van wat ze heeft ervaren. Daarom is haar spreken over God bitter. God is haar Tegenstander. God heeft haar kwaad gedaan: geen man, geen kinderen, geen kleinkinderen en dus geen toekomst.

    Maar het verhaal gaat ook over loyaliteit. Ziet Noömi God als tegenstander, Ruth gaat daarover niet met haar in discussie, maar zegt: “Vraag me toch niet langer u te verlaten en terug te gaan, weg van u. Waar u gaat, zal ik gaan, waar u slaapt, zal ik slapen; uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Waar u sterft, zal ik ook sterven, en daar zal ik begraven worden”. Het is Ruth die met Noömi meetrekt. Hier lijkt Ruth de plaats van God in te nemen. Haar loyaliteit aan Noömi is onwrikbaar en ze weigert Noömi te verlaten. Het is ook Ruth die in het vervolg van het verhaal handelend optreed. Zij is het die voorstelt om aren te gaan zoeken op het land. Zij is degene die dat gaat doen en daardoor weer brood op de plank brengt. En ook al bedenkt Noömi het plannetje om Ruth bij Boaz onder te brengen als wat dan ook, het is Ruth die Boaz wijst op het losserschap. Daarmee doet ze Boaz onverhuld een huwelijksaanzoek. Vervolgens is het Boaz die zorg draagt dat Ruths reputatie geen deuk oploopt, want aan Moab en de Moabieten kleefde in Israel toch altijd de geur van een bedenkelijke zedelijke moraal; denk maar aan Lot en zijn dochters. Het is vervolgens Boaz, die niet voor zijn verantwoordelijkheid wegloopt en optreedt als losser. Pas nadat dit allemaal gebeurd is, komt God weer in actie. Dan, zo vermeldt het verhaal, is het de Heer die Ruth zwanger laat worden. Zo wordt door de geboorte van Obed de toekomst voor Noömi weer liefelijk.

    De lijn in het boek Ruth is, dat zowel het goede als het kwade uit de hand van de Heer komt, maar dat het de mens is die handelt en zijn verantwoordelijkheid moet nemen. Uit dit verhaal kunnen we dan ook een conclusie trekken: hoe God wordt gezien door mensen, staat niet los van het menselijk handelen. Dat handelen van mensen, zowel het doen als het nalaten, is mede bepalend hoe anderen over God denken en Hem benoemen. Iemand zei eens: “Hoe zou het anders kunnen? God heeft immers geen andere mond dan mensenmonden en geen andere handen dan mensenhanden”.

    Corona, overal en alom. Mensen worden ziek, sommigen worden beter, anderen sterven. Wat is de rol van God hierin? Gaat dit buiten God om? Is dit een straf van God? Geen gemakkelijke vragen en antwoord krijgen we ook al niet. Dergelijke vragen verlangen immers een sluitend antwoord en wie is instaat die te formuleren? Misschien is het beter om een andere vraag te stellen en wel: hoe ervaar je God in dit coronagebeuren? Het is immers de ervaring van mensen die bepalend is voor hun spreken over God. De ervaring van de ander hoeft niet met die van mij overeen te komen. Dat geeft niet, het is immers zijn of haar ervaring. Daar hoef ik, kan ik, niets over zeggen. God heeft nu eenmaal vele namen. Mensen geven aan God vriendelijke namen, namen met een goede klank. Maar vergis je niet. Er worden door mensen ook andere namen aan God gegeven met een minder vriendelijke klank, zoals ‘De Rechter’ of ‘De Bestraffer’ of ‘De Levenontnemer’ of ’De Grote Afwezige’. Of je het met een dergelijke naamgeving eens bent is niet relevant. Jij kan God de naam blijven geven die overeenkomt met jouw ervaringen. God heeft immers 100 namen, waarvan 99 bekende. Relevant is slechts, of je bereid bent met de ander mee te trekken, zoals Ruth meetrok met Noömi, zoals die verpleegster in het ziekenhuis meetrekt met de stervende patiënt of zoals een dochter meetrekt met haar oude moeder die zorg nodig heeft. Vul zelf verder de voorbeelden maar in. Want door mee te trekken met de ander, geef je hem of haar de mogelijkheid om God opnieuw te benoemen. De honderdste Godsnaam voor de ander zou dan kunnen luiden: GOD IS LIEFDE.

    De tasbih heb ik weer terug gelegd in de doos. Ooit, als onze kinderen de zolder opruimen, zullen ze in een doos een tasbih vinden. Misschien zullen ze de kralen even voorzichtig door hun vingers laten glijden en dan denken aan God. Misschien….

    Piet Kort